25 jaar Heymanshuis 1963 – 1988

HEYMANSHUIS
1963 – 1988

25 jaar Heymanshuis

Ze komt me stralend tegemoet en wijst in de gezellige kamer een stoel aan. Zij wekt de indruk achter in de zestig te zijn. Maar die inschatting blijkt een forse vergissing te zijn. 97 jaar is ze. ‘Dokter zegt dat ik wel honderd word, nou, dat weet ik niet hoor. Maar ik kan gelukkig nog goed zien en horen. En ’t verstand is ook nog prima hoor!’, zegt ze met fonkelende pretogen.

Mevrouw van der Horst, – want wij zijn bij haar op bezoek – wijst naar buiten: ‘Zit ik hier niet schitterend? Al die fraaie luchten. En in de zomer dat groen. Ik mag hier heel graag wezen. Dit is echt mijn huis. En als ik wat van de wereld wil weten hoef ik dit knopje maar in te drukken’, zo vertelt ze met een resoluut gebaar in de richting van het TV toestel wijzend. ‘Want ik kom al jaren bijna niet meer van de kamer af, ik ben bang te vallen, maar ik ben hier gelukkig. Soms maak ik met mijn overbuurvrouw, mevrouw Berman, nog een heel klein wandelingetje in de gang, want ik wil wel graag in beweging blijven. Maar verder zit ik hier. En ik verveel me nooit.’

Zeventien jaar woont zij nu in het Heymanshuis. Daarmee is mevrouw van der Horst geen recordhoudster. Dat is onbetwist de heer s. Lomars, die dan wel iets jonger is, maar toch ook al de eerbiedwaardige leeftijd van 93 heeft bereikt. Hij maakte als enige bewoner de gehele eerste 25 jaar van het Heymanshuis mee en was jarenlang de centrale figuur van de bewonerscommissie zoals nu alweer jaren de heer C.J. Lutter is. Zeker ook voor Lomars geldt dat het Heymanshuis een deel van zijn leven is geworden. Niet voor niets prijkt er in de rondom het huis aangelegde tuin een Lomarsboom!

De gebreken die de ouderdom plegen te vergezellen, hebben de oud-voorzitter van de bewonerscommissie wat zwaarder getroffen dan mevrouw van der Horst. Hij kan moeilijk nog staan en dus ook nauwelijks nog lopen. Zijn gehoor is minder geworden, maar als we bij hem op kamer 204 even binnenlopen, zit hij tevreden in zijn leunstoel. En hij haalt graag herinneringen op aan die eerste kwart eeuw van het Heymanshuis. Dat is misschien ook wel het meest bijzondere van het Heymanshuis: het is in de loop der jaren voor vele bewoners ‘hun’ huis geworden. En wat is er voor bestuur, directie en medewerk(st)ers van het Heymanshuis nu mooier na een kwart eeuw uit de mond van de enige man die het allemaal meemaakte, te mogen horen; ‘Ik ben reusachtig tevreden. Over het bestuur, over het personeel en over het eten.’ ’t Hoeft niet beter.’

Mevrouw van der Horst doet na 17 jaar wat waardering betreft dus niet voor hem onder: ‘Ik geloof niet dat er een gebouw in Groningen is, dat zo gezellig is als dit huis. Die andere huizen zijn ook van die hoge gebouwen. Als je daar beneden woont, ken je de mensen van de bovenste verdiepingen niet. Wij zijn hier een grote familie met elkaar. Ja, toen ik hier kwam, was er een kok van niks, maar deze kok is prima. Wat wij krijgen wordt heerlijk toebereid. En op feestdagen krijg ik wel eens iets wat ik nog nooit heb gehad. Niks anders dan lof. Het zou een ramp wezen als dit huis gesloten werd. En wat willen ze dan met zulnen als wij? Waar moeten we dan heen?

05 – Ochtendkoffie in de recreatiezaal, begin jaren 70

Het is natuurlijk een beetje gevaarlijk de waardering voor het Heymanshuis af te meten aan het oordeel van slechts twee van de bijna vijfhonderd bewoners die het Heymanshuis sinds 1962 heeft gehad. De slechte kok waarover mevrouw van der Horst al even repte, mag symbolisch heten voor de kortsluitingen die er ongetwijfeld ook zijn geweest. Er was best eens iets, maar toch…

De oprichting van het Heymanshuis was op zichzelf een bijzondere gebeurtenis. Groningen kende aan het einde van de jaren vijftig niet een dergelijk huis. De plannen ervoor dateerden al uit 1956, toen in Groningen werd opgericht de Stichting Bejaardentehuizen Prof. dr. G. Heymans. Het Vrije Volk van woensdag 20 maart 1957 berichtte erover: ‘Er bestaan plannen om in Groningen te komen tot de oprichting van pension- en bejaardentehuizen voor hen, die niet voelen voor opneming in tehuizen op christelijke grondslag’. Want hoe was de situatie tot dat moment?

Naast het verzorgingstehuis van de gemeente Groningen (later het Treslinghuis), dat bedoeld was voor bejaarden en zieken die elders geen onderkomen hadden, bestonden er slechts particuliere pensiontehuizen, die nogal kostbaar waren; gasthuizen, waarvan de bewoners meestal voor zichzelf moesten zorgen; en enige pensiontehuizen voor bejaarden die op confessionele leest waren geschoeid. Van deze bejaardentehuizen waren er na de oorlog al diverse gebouwd, maar dit betekende wel dat vele oudere Groningers, die hun oude dag in een dergelijk huis wilden doorbrengen, in een geestelijk klimaat kwamen te verkeren, waarin zij zich eigenlijk niet zo thuis voelden.

De Heymansstichting nu stelde zich ten doel daarin voor vele niet-kerkelijke Groningers (toen bijna de helft en nu meer dan de helft van de bevolking) verandering te brengen. Daartoe zouden door de stichting – zonder het beogen van winst – worden opgericht ‘pension- en andere tehuizen voor bejaarden, in het bijzonder voor hen die geen behoefte gevoelen aan opneming in tehuizen op christelijke grondslag’. Het Heymanshuis werd zo een algemeen huis, waarin in principe iedereen welkom was. Door of namens de Heymansstichting werd en wordt geen pastorale of andersoortige geestelijke verzorging geboden, maar aan bewoners die dat wensen, wordt zo nodig wel medewerking verleend om die te krijgen.

Het Heymanshuis (totale investering twee miljoen gulden) werd het eerste van deze huizen. Het werd gebouwd in opdracht van de NCHB (Nederlandse Centrale voor Huisvesting van Bejaarden), die ook alle andere huizen van de Heymansstichting zou bouwen om na voltooiing de exploitatie over te dragen aan de Heymansstichting. Deze kon zo profiteren van de kennis en ervaring die de Centrale reeds elders bij de bouw van bejaarden- en verzorgingstehuizen had opgedaan.

07 – De klaverjasclub hier in 1972, had vele enthousiaste leden

Vier jaar voor de officiële opening van het Heymanshuis (8 maart 1963 door de toenmalige burgemeester van Groningen J. Tuin) was er al een wachtlijst van bijna veertig mensen. In 1961 waren er in totaal al 200 gegadigden en toen in november 1962 de bewoners het huis introkken en al snel tot de laatste kamer vulden, was er nog een wachtlijst van 199 personen, die voor een eenpersoonskamer hadden ingeschreven, terwijl 59 echtparen vol spanning uitzagen naar plaatsing. Een wachtlijst die sindsdien jarenlang bleef groeien, zodat zelfs tweemaal (in 1963 en in 1969) de inschrijving werd stopgezet, om teleurstelling bij de gegadigden te voorkomen.

In 1972 telden de wachtlijsten voor de huizen van de Heymansstichting (in 1970 was het Hoornse Heem geopend) zelfs meer dan duizend liefhebbers voor een eenpersoonskamer en ruim vierhonderd voor een tweepersoons. De Heymansstichting had dus met haar taakstelling wel raak geschoten. Er was een geweldige behoefte aan huizen als het Heymanshuis. Ook de andere pensiontehuizen voor bejaarden kenden trouwens wachtlijsten. Het bejaardenhuis, dat de bewoners enerzijds behoud van hun zelfstandigheid en anderzijds verzorging (eventueel verpleging) kon bieden, leek als nieuwe vorm van bejaardenhuisvesting een grote tijd tegemoet te gaan.

De Heymansstichting ging na de totstandkoming van het Heymanshuis op de ingeslagen weg voort en bouwde daarna nog het Hoornse Heem met daarbij als verpleeghuis voor somatisch zieken Neerwolde, Het Hunzerheem en het psychogeriatrisch verpleeghuis ’t Blauwbörgje.

Maar terug naar het Heymanshuis en de initiatiefnemers. Die initiatiefnemers, wijlen de heer H. Niezen en de heren G. Stellinga, Th. H. Boer en F.J. Stinissen, wisten wat zij wilden. De bewoners zouden in het Heymanshuis hun eigen appartement moeten hebben en in elk opzicht vrij moeten zijn. Het respect voor ieders persoonlijke levensovertuiging stond daarbij voorop. En wat de huisvesting betreft: deze diende aan de hoogste eisen te voldoen, zowel qua ex- als qua interieur. En na 25 jaar kan een ieder die het Heymanshuis bezoekt, zich er nog dagelijks van overtuigen dat architect D. van Wensveen er uitstekend in is geslaagd de ideeën van het bestuur gestalte te geven. Een huis bouwen, dat niet op een kazerne lijkt, maar zelfs vriendelijk oogt en waarin toch 130 mensen kunnen wonen, is knap. Het Heymanshuis diende namelijk 85 eenpersoonskamers, 18 tweepersoonskamers, een ziekenboeg voor 9 personen en huisvesting voor 12 personeelsleden te bevatten.

Omdat het Heymanshuis werd gebouwd volgens de normen van de woningwet bleek het niet eenvoudig het huis zo te krijgen als het bestuur wilde. Bij elk appartement een balkon en een eigen toilet? Dat werd als ‘luxe’ gezien en het kostte heel wat moeite de overheid zover te krijgen dat die balkons en toiletten er toch mochten komen. Alle bewoners van de verdiepingen hebben dus nu hun eigen balkonnetje. De bewoners van de begane grond kunnen via een eigen deur zo de tuin instappen.

09 – De zuid-oostgevel van het huis

Mede dankzij deze parkaanleg, maar zeker ook dankzij de architectuur van het gebouw en het steeds schuin in de gevel laten inspringen van de kamers, slaagde de architect erin het Heymanshuis een aantrekkelijk exterieur te geven. Het laten inspringen van de kamers is door de architect bovendien consequent toegepast, zodat ook de muren die aan de lange gangen grenzen, steeds per appartement schuin inspringen, waardoor de gangen minder lang lijken. Bovendien danken de bewoners aan dit systeem, zowel wanneer zij op hun balkonnetje zitten, als wanneer zij in hun huisdeur staan, een veel grotere ‘privacy’ dan anders het geval zou zijn.

Het Heymanshuis trok de eerste jaren na de opening dan ook regelmatig de belangstelling van gemeentebesturen uit binnen- en buitenland. Ook in die zin mag het Heymanshuis een bijzonder huis heten!

Er zou vermoedelijk een psycholoog aan te pas moeten komen om vast  te stellen of deze architectuur grote invloed kan hebben gehad op de sfeer in het huis, maar die sfeer is eigenlijk dus altijd heel goed geweest.

Dat is ongetwijfeld in sterke mate mede te danken geweest aan de in januari 1963 opgerichte bewonerscontactcommissie, aanvankelijk (tot 1965) onder voorzitterschap van de heer Breedland, daarna (tot 1982) onder leiding van de heer Lomars en sindsdien onder voorzitterschap van de heer Lutter. Typerend in dit verband is, dat de notulen en verslagen van deze bewonerscontactcommissie eigenlijk nog beter dan de officiële stukken van bestuur en directie een boeiend beeld geven van het wel en wee van het Heymanshuis in de afgelopen kwart eeuw.

De activiteiten resulteerden o.m. in de oprichting in 1966 van drie clubs: de gymnastiekclub, de WAS-club was een wel heel bijzondere. De afkorting WAS stond voor Wortelen, Appel en Spruitjes en de club had als doel het personeel van het Heymanshuis te helpen bij het schoonmaken van de groenten. Dat leverde zoveel besparing van tijd  en dus geld op, dat de bewoners daardoor verse groenten konden krijgen in plaats van blikgroente. Want het was en bleef schipperen met de financiën. Men bedenke daarbij (zie de grafiek elders in dit boekje) dat de pensionprijs in die eerste jaren voor een eenpersoonskamer rond de driehonderd gulden lag, terwijl voor een tweepersoonskamer plm. vijfhonderd gulden werd betaald. En dat voor huisvesting, kost en inwoning en indien het nodig was ook nog inclusief verdere verzorging of verpleging in de ziekenboeg. Die werd aanvankelijk nauwelijks gebruikt. De gemiddelde leeftijd van de eerste generatie bewoners lag dan ook beduidend lager dan tegenwoordig en steeg van 1962 tot 1988 van ruim 76 jaar tot ruim 85! We komen op deze ontwikkeling nog terug.

De kosten van de voeding waren altijd een belangrijke factor in relatie met de pensionprijs. Maar alle (eet) waar is naar zijn geld! Toch moest de leiding van het huis een zuinig beleid voeren, want het streven was er lang op gericht de pensionprijs zo laag te houden, dat de meeste bewoners uit eigen middelen de pensionprijs konden betalen. Er was nog een duidelijke aarzeling bij velen om een beroep op de Bijstandswet te doen.

Die neiging (in het belang van de bewoners!) de kosten zo laag mogelijk te houden leidde soms wel tot merkwaardige zaken. Zo ontdekte de heer A. van der Werf, van 1965-1968 penningmeester van de Heymansstichting, daarna administrateur en vervolgens tot 1985 algemeen directeur (zijn borstbeeld siert de hal van het Heymanshuis), eens dat de ‘zuinigheid’ zover ging, dat bij bijzondere gelegenheden zoals feestavonden bij Hettema theelepeltjes werde gehuurd. De heer van der Werf kwam ook eens op een avond in het huis toen de waarnemend directrice mevrouw A.J. van der Meer – Noorland en zeker vier andere medewerksters bezig waren met een grote zoekactie. Men was doende de inventarisatielijsten te controleren en daarbij was ontdekt dat er enkele lepels en vorken ontbraken. Het gehele huis werd uitgekamd… Dat werden dus dure lepels en vorken. De heer van der Werf gaf dan ook het dringende advies gauw met dat zoeken te stoppen.

De stijging van de pensionprijs was vanaf het begin een bron van zorg. Er werd soms met de bewonerscontactcommissie urenlang over vergaderd. Een rijksdaalder meer of minder was onderwerp van felle discussies. Was dat nu echt wel noodzakelijk? De rekening voor dit in de beginjaren zestig kennelijk toch wat te zuinige beleid kregen de bewoners van het Heymanshuis enige jaren later gepresenteerd. Er bleek in 1968 een tekort over de voorgaande jaren te zijn van ongeveer dertigduizend gulden. En aan het reserveren van geld voor onderhoud was men nauwelijks toegekomen.

Eind 1968 werd dan ook bekend – tot ieders schrik – dat de pensionprijs met ongeveer honderd gulden per maand (of nog meer) moest worden verhoogd. Met ingang van 1 januari 1969 kwam de pensionprijs op 490,= voor een eenpersoonskamer en op 880,= en 895,= voor een tweepersoons. Voor de 85 bewoners van de enkele kamers betekende dit op jaarbasis een verhoging met 1200,=, terwijl voor de 18 tweepersoonskamers het zelfs een stijging van de jaarlijkse kosten betekende met bedragen van ruim 1700,= of ruim 1900,=. Sommige bewoners kwamen, aldus blijkt uit de notulen van de bewonerscommissie, door deze prijsverhoging ‘in financiële moeilijkheden, waarvoor echter een oplossing kan worden gevonden’.

Vooral bewoners die nog net niet voor de Bijstandswet in aanmerking kwamen, waren de dupe van de maatregel. Zij hielden soms nauwelijks nog enige speelruimte voor het doen van eigen uitgaven over. ‘Rest ons nog de vraag of er in 1968 wel de vereiste zuinigheid is betracht en waarvoor die grote verhoging nodig is geweest’, zo merkte de notulist wat zuur en (achteraf beschouwd) ten onrechte op.

De activiteiten van de hiervoor al genoemde WAS-club hebben ook een onbedoeld effect gehad. Er werd kennelijk zo regelmatig verse groente schoongemaakt dat, toen enige jaren na de opening eens de keukenvoorraden werden opgenomen in verband met een inventarisatie, er nog ergens tientallen bijna doorgeroeste blikken groente bleken te staan. De voeding en de keuken, en dus ook de koks, zijn in het Heymanshuis regelmatig onderwerp van gesprek geweest. In welk bejaardenhuis trouwen niet?

13 – De keuken eens vergruisd maar nu al jaren uitbundig geprezen

Die aanschaf van blikgroente hield kennelijk verband met het standpunt, dat de keuken niet geschikt zou zijn voor het bereiden van verse groenten, wat, toen een echte kok was aangesteld, volstrekt onjuist bleek te zijn. De keuken was er zelfs uitermate geschikt voor. De activiteiten van WAS-club waren derhalve goed besteed en vanaf 1966 kregen de bewoners regelmatig verse groenten. Met het aantrekken van de koks – mevrouw van der Horst duidde er al even op – is de leiding van het Heymanshuis eens minder gelukkig geweest. Maar juist ook als er iets aan het eten mankeerde, zoals in 1976, bewees de bewonerscontactcommissie uitstekende diensten. Het leidde er in genoemd jaar zelfs toe dat twee koks werden ontslagen: ‘De situatie was niet langer houdbaar’, zo melden de notulen daarover.

Vast onderdeel van de vele activiteiten van de bewoners waren de ontspanningsavonden in de gezellige recreatiezaal. In 1966 werden ze zevenmaal georganiseerd, in 1967 acht keer, in 1968 en 1969 zelfs twaalfmaal, enz. Aan de organisatie van die avonden werd altijd veel zorg besteed en een bonte stoet van artiesten en gezelschappen trad in de loop der jaren in het Heymanshuis op. Om een greep uit de programma’s te doen: er waren muziek-, film- en dia-avonden. De studentenvereniging Albertus Magnus trad eens op met een toneel-, zang- en dans programma, de vereniging Oranjewijk bracht een cabaretprogramma, eigen personeel verzorgde avonden, enz. enz. Andere activiteiten waren de regelmatig gehouden bustochten, de jaarlijkse verkoopmiddagen, de concerten door het eigen zangkoor ‘Zanglust’ onder leiding van de heer Lomars, dat ook wel elders optrad, en natuurlijk de activiteiten van de diverse andere clubs zoals de gymnastiek-, biljart- en damclub en de nog in 1972 opgerichte handwerkclub. Niet onvermeld mag ook blijven de eigen bibliotheek, waarover in het jaarverslag over 1971 werd genoteerd: ‘624 boeken uitgeleend. Het is enigszins jammer dat onze bibliotheek als het ware is overvleugeld door zijn grotere broer, de Openbare Leeszaal’.

Een hoogtepunt is zeker ook geweest het tienjarig bestaan in 1973, waarvan bestuur, directie en bewonerscommissie vonden dat dit niet ongemerkt voorbij mocht gaan.

Om enige hoogtepunten van dit tweede lustrum te noemen: er werd op initiatief van de familie Schouten een foto-album samengesteld en aan het bestuur aangeboden, er werd door de heer van der Woude een film over de activiteiten in het huis gemaakt en onder leiding van de heer Zwart werden maar liefst 2450 bloembollen geplant. De dames van de handwerkclub beijverden zich door het borduren van een 22-tal tafelkleedjes voor de tafels in de recreatiezaal en directeur van der Werf zorgde voor een klein boekje over de eerste tien jaren van het Heymanshuis, dat alle bewoners kregen aangeboden. En om de goede relatie tussen bewoners en bestuur te onderstrepen bood het bestuur voor de tuin een rode meidoorn aan, genoemd naar de eerste bewoner, tevens toen de zo actieve voorzitter van de bewonerscommissie, de heer Lomars.

15 – De heer Lomars naast de pas geplante Lomarsboom

En die rode meidoorn, de ‘Meester Sibbele Lomarsboom’, staat nog altijd in de tuin (de toevoeging ‘meester’ slaat op het feit, dat de heer Lomars onderwijzer is geweest).

Er waren ook geschenken van andere aard. Zo schonk een der bewoners een brievenkast aan het Heymanshuis en daarop haakten de medewerkers van het huis bij monde van de kok in door de aanbieding van een envelop met inhoud om boven die brievenkast een passende verlichting aan te brengen.

De bewonerscommissie hield zich echter niet alleen bezig met jubilea, feestavonden, uitjes en andere activiteiten in de sfeer van de ontspanning. Activiteiten die echter wel van grote betekenis voor de bewoners zijn. Hoe goed het met deze activiteiten ging blijkt wel uit het verslag over 1973, waarin de bewonerscommissie constateert: ‘Aan ontspanning en activiteiten heeft het in 1973 niet ontbroken. We zijn als het ware volgeboekt. Iedere middag is er wat te doen en wanneer er iets anders plaats vindt, dan moet er even een schikking worden getroffen, wat tot nu toe nooit een probleem is geweest’.

De commissie wist zich al snel in het Heymanshuis ook als gesprekspartner van leiding en bestuur een status te verwerven en boekte ook menig succesje. De bewoners werden in hun wensen en verlangens duidelijk altijd zeer serieus genomen, want het Heymanshuis was immers HUN huis en ZIJ moesten zich er thuis voelen, zo bleef het uitgangspunt van bestuur en leiding. Ook naar de bewoners zelf toe vervulde de commissie een bindende en bemiddelde rol. Soms met iets minder succes zoals in 1968, toen zich het probleem(pje) voordeed van het voederen van zeemeeuwen. Een volgens sommige bewoners leuke en boeiende bezigheid, die door de altijd uitgehongerd lijkende meeuwen kennelijk ook zeer op prijs werd gesteld. De meeuwen combineerden hun duikvluchten naar broodkruimels en ander voedsel nogal een met een sanitaire stop, waarvan even later dan bij verschillende bewoners de sporen op de ramen waren terug te vinden…

De bewonerscommissie probeerde daar iets tegen te doen, zij het niet met veel resultaat. In de notulen lezen we erover: ‘Onbegrijpelijk is het, dat er nog enkele medebewoners zijn, die het verzoek van de directie en de Contactcommissie betreffende het voederen van zeemeeuwen hebben genegeerd, waardoor anderen vaak nog opgescheept zitten met bevuilde ramen. Hierover is het laatste woord nog niet gezegd’. Nog enkele andere activiteiten waarbij de bewonerscommissie nauw betrokken was:

‘In de loop van 1971 werd een commissie van drie dames gevormd, die wekelijks een bespreking houdt met de directie en met leden van het personeel, die in de keuken werkzaam zijn, betreffende het vaststellen van het wekelijks menu en wat verder in het belang van de bewoners wordt geacht’ (de menucommissie werd in 1982 weer opgeheven, omdat zij niet meer voldoende kon functioneren).

17 – De bewonerscommissie van 1988: de dames B.K. Bruins en C. Berman-Vles en de heer C.J. Lutter. Op de achtergrond het borstbeeld van oud-directeur A. van der Werf

In 1975 constateerde de bewonerscommissie niet zonder voldoening: ‘Al is ons gebouw nu al ruim 13 jaar in exploitatie, toch ziet het er nog altijd even keurig en welverzorgd uit. Van onze tuin kan hetzelfde worden gezegd. Het veraangenaamt het verblijf in ons tehuis in belangrijke mate’.

Niet alleen naar het bestuur en de directie van het huis toe, maar ook naar de buitenwacht vervulde de bewonerscommissie regelmatig een belangrijke rol. In 1967 boekte de commissie op twee fronten succes. Een brief naar het Groninger gemeentebestuur, dat het trottoir van de Hippocrateslaan regelmatig blank stond, als het regende, had snel succes: ‘het euvel werd met bekwame spoed verholpen’. Een verzoek van de bewonerscommissie aan de directie van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf was al even succesvol. Het ging erom ‘te bevorderen dat de bus van Corpus den Hoorn, waar vele bejaardenoorden zijn bevestigd, de route neemt langs het Hoofdstation. Met ingang van de nieuwe dienstregeling is aan dit verzoek voldaan’.

Langzaam maar zeker echter – we noemden het al even – deed zich een belangrijke verandering in het Heymanshuis voor. In het verslag van de bewonerscommissie over 1981 werd er als volgt gewag van gemaakt: ‘Door het afglijden naar een andere doelstelling van ons tehuis, nl. naar de kant van een verpleegtehuis, is het noodzakelijk geworden, dat het aantal bedden op de verpleegafdeling wordt uitgebreid. De Aula moet hieraan ten offer vallen. Helaas, dat het allemaal zo moet zijn’.

De conclusie van de samensteller van dit verslag was overigens niet geheel juist. Het Heymanshuis was toen en is nog een verzorgingstehuis voor bejaarden. Geen verpleeghuis. Maar het aanvankelijke karakter, dat zich goed laat typeren met de omschrijving een pensiontehuis voor bejaarden, veranderde inderdaad sterk. Als gevolg van het feit, dat de nieuwe bewoners die werden toegelaten, op een steeds hogere leeftijd hun entree maakten en veelal mede daardoor mee verzorging en vaker verpleging behoefden dan in de eerste tien jaren het geval was geweest.

Het stijgen van de gemiddelde leeftijd van de bewoners van het Heymanshuis bracht nog enige andere belangrijke gevolgen mee. Mede door de intensievere zorg steeg de pensionprijs, die nu ongeveer het tienvoudige bedraagt van 25 jaar geleden. De sociale bewogenheid, waardoor het beleid in de beginjaren werd getypeerd, moest wel gecombineerd worden met een zakelijke instelling, wilde het Heymanshuis jaarlijks de begroting sluitend houden. Niettemin was in 1973 opnieuw een stevige stijging van de pensionprijs noodzakelijk.

Het ouder worden van de bewoners betekende ook, dat de mogelijkheid voor velen om aan gezamenlijke activiteiten mee te doen sterk verminderde. Diverse clubjes vielen daardoor uiteen. Toch bleven tal van activiteiten doorgaan en werden nieuwe ontwikkeld. Zo verschijnt sinds 1981 een huisorgaan, bestemd voor bewoners en medewerkers, aanvankelijk onder de naam ‘101’ (het nummer van de vroegere bestuurskamer in het Heymanshuis), maar in 1982 omgedoopt tot ‘Ons Heymanshuis’.

19 – De zonnewijzer, aangeboden door de heer Lutter aan de voorzitter van het bestuur, de heer A. Bras

De viering van het 20-jarig bestaan in november 1982 werd een feestelijk gebeuren. De medewerkers van het huis boden een klok aan voor de hal, terwijl de bewoners de directie aankondigden een zonnewijzer in de tuin van het Heymanshuis te zullen plaatsen. Dat was trouwens eenvoudiger gezegd dan gedaan, want goede zonnewijzers bleken niet zomaar, zoals de bewonerscommissie had gedacht, te bestellen. ‘en een prutsding wilden we hier niet’, zo liet voorzitter Lutter destijds in een krantenbericht weten. Via de NCRV-radiorubriek ‘Wie weet waar Willem Wever woont’, kwam het toch nog voor elkaar en kwam de bewonerscommissie een ontwerper en constructeur van zonnewijzers op het spoor. Sinds het voorjaar van 1984 staat de zonnewijzer te pronk in de tuin.

Voor kleine tripjes werd voor gehandicapte bewoners regelmatig gebruik gemaakt van het door de Heymansstichting in 1972 al aangeschafte busje. En natuurlijk bleven traditionele ontspanningsactiviteiten, zoals het samen poffertjes eten op de Grote Markt, een bezoek aan het Bloemencorso Eelde en modeshows, op het programma staan. Ook de bibliotheek, gerund in samenwerking met de Openbare Bibliotheek, onderging een ‘face-lift’: nieuwe boekenkasten, nieuwe vloerbedekking en uitstekende verlichting. Zo was en is er eigenlijk elke dag wel iets te doen voor de bewoners, als zij daar voor voelen. Dankzij de bewonerscommissie, dankzij ook de vaste medewerk(st)ers en niet in de laatste plaats dankzij vrijwilligers van buiten het Heymanshuis. Maar de tijd, dat vele bewoners hun eigen auto voor het (Heymans)huis hadden staan en regelmatig er zelf op uit trokken, is wel voorbij. Met de Kerstdagen was het in de beginjaren soms zelfs akelig stil in het Heymanshuis, omdat vele bewoners dan bij familie of kennissen op bezoek waren of Kerstvakantie hielden. Ook dit illustreert de veranderingen die hebben plaats gehad.

Wat de verzorging betreft is de laatste jaren belangrijk geweest de instelling van groepsverzorging en – verpleging. Dit betekent dat bewoners van elke etage steeds met een vast team van bejaardenverzorgenden en ziekenverzorgenden te maken hebben, die onder leiding staan van een afdelingshoofd. Juist voor bewoners die wat vaker een beroep moeten doen op de verzorgenden, is het plezierig, dat zij niet steeds met nieuwe gezichten te maken krijgen.

De komst van bejaarden- en ziekenverzorgenden in de verzorgingstehuizen illustreet ook een n ieuwe ontwikkeling. Om in een zo grote gemeenschap van oudere mensen alles goed te laten verlopen is naast zorg ook deskundigheid nodig. De speciale opleidingen voor bejaarden- en ziekenverzorgenden, zoals die nu alweer verschillende jaren bestaan, leveren daaraan een belangrijke bijdrage. En natuurlijk is het vooral deze kern van vaste medewerk(st)ers die er dagelijks en indien nodig ook ’s nachts onder leiding van de directie voor zorgt, samen met de mensen van de keuken en de huishouding, dat het goed gaat in het Heymanshuis en met zijn bewoners. Het in 1987 voor het personeel geïnstalleerde oproepsysteem (de mensen van de avond- en nachtdiensten kunnen met elkaar communiceren) was een grote verbetering.

Toch zien niet alle bewoners de toekomst even rooskleurig. Ook binnen de bewonerscommissie is er twijfel over de laatste jaren ontstane situatie. ‘Door het opnamebeleid komen steeds vaker nieuwe bewoners in ons tehuis, die in lichamelijk en geestelijk opzicht kwetsbaarder zijn’. In 1985 zond de bewonerscontactcommissie nog een brief over de ontstane situatie naar de geneeskundige inspectie van de volksgezondheid voor Gronigen en Drenthe. Een brief die een aanklacht was tegen het beleid van de sinds 1977 bestaande indicatie-commissie die over de plaatsing in de Groninger verzorgingstehuizen beslist. De gevolgen van dit beleid zijn volgens de bewonerscommissie van het Heymanshuis o.m. geweest, dat nu teveel bejaarden worden geplaatst met wie moeilijk nog contacten zijn te leggen, waardoor ‘het eertijds zo leefbaar samenwonen in dit huis daardoor teveel geweld wordt aangedaan’.

Wat in deze brief wordt gesignaleerd en ook door directie en bestuur van het Heymanshuis wordt onderkend, is een gevolg van de opvatting dat de meest kwetsbaren onder onze oudere medeburgers het meeste recht op zorg hebben. Wie zou dat durven ontkennen? Daarmee is het geschetste probleem niet opgelost, maar wel getypeerd: het verzorgingstehuis schuift op naar een verpleeghuis (jaarverslag 1984 van de Heymansstichting).

Over het opnamebeleid is de afgelopen jaren dan ook heel wat gediscussieerd. Tot 1978 voerde de Heymansstichting ook voor het Heymanshuis een eigen beleid, dat op sociale gronden reeds sterk was gericht op opname van mensen voor wie dit het meest urgent was. Sinds 1978 is het een van gemeentewege wettelijk voorgeschreven indicatiecommissie, die beslist over opname.

Een van de redenen dat (nog afgezien van het indicatiebeleid) een toenemend aantal bejaarden in het Heymanshuis veel zorg behoeft, is de door de directie gehuldigde opvatting dat bewoners, die ziek worden, als zij dit willen en als het kan, toch in het Heymanshuis blijven en niet meer naar een verpleeghuis worden overgeplaatst. Mede daardoor verblijven sommige bewoners veel langer in de ziekenboeg, eigenlijk bedoeld voor kortdurende opnamen, dan de opzet daarvan was, hoewel de bewoners zo lang mogelijk op hun eigen kamer worden verzorgd.

De laatste jaren doet zich als gevolg van de veranderde opvattingen over bejaardenhuisvesting in het Heymanshuis – evenals in vele ongeveer even oude huizen – nog het probleem voor, dat de kamers te klein worden geacht. Bovendien wordt naar de huidige maatstaven een stukje comfort gemist, doordat een watafel ontbreekt en ook per afdeling (en niet per appartement) slechts een douche aanwezig is.

Mede om een te eenzijdige samenstelling van de bewoners van het Heymanshuis te voorkomen sprak de Professor Heymansstichting zich reeds in 1984 uit voor de bouw van een complex bejaardenwoningen met enige extra voorzieningen (zgn. aanleunwoningen), te bouwen op de plaats van het vlakbij het Heymanshuis gelegen en al jaren buiten gebruik zijnde Mariakerk. Een deel van de extra voorzieningen en service zouden dan vanuit het Heymanshuis kunnen worden geboden. Daarbij leefde de verwachting, dat deze verwevenheid ook de bewoners van het Heymanshuis door de mogelijkheid van nieuwe contacten met nog zelfstandig wonende generatiegenoten ten goede zou komen. Die plannen hebben evenwel geen doorgang kunnen vinden.

23 – De damclub in zijn hoogtijdagen, begin jaren ’70

In het in 1985 uitgebrachte plan van de provincie Groningen voor bejaardenoorden werd rekening gehouden met renovatie of nieuwbouw van het Heymanshuis. Onderzoek heeft intussen aangetoond, dat renovatie om financiële redenen niet haalbaar is, zodat de blik nu is gericht op nieuwbouw. De beste rechtvaardiging daarvan is de betekenis die het Heymanshuis in de afgelopen kwart eeuw als algemeen verzorgingshuis voor zovele Groningers heeft gehad.

Voor de huidige bewoners, van wie verschillenden vele jaren in het huis aan de Kochstraat hebben gewoond, is een dergelijk ‘verkassen’ een ingrijpende operatie, waarop ze beslist niet zitten te wachten. Maar de verhuizing zal hen ongetwijfeld gemakkelijker vallen, zo zei een van hen, ‘als dat nieuwe Heymanshuis ook maar weer echt een Heymanshuis wordt. Met dezelfde mensen en dezelfde sfeer. Dan heb je tenminste niet het gevoel op je oude dag nog eens weer in een vreemde omgeving helemaal opnieuw te moeten beginnen’.

Lentis Erfgoed is onderdeel van Lentis.