Adri van Enk – door Wim van Enk
Adri, 1943-1958
Op de natuurbegraafplaats van Dennenoord bevindt zich het graf van Adri. Ze was bijna vijftien toen ze stierf. Haar vader was gereformeerd predikant in Vries tot zijn dood in 1945, haar moeder was vanaf 1945 arts op Dennenoord.
I
Willem Jacob van Enk was predikant in Vries, gereformeerd predikant, een volgeling van dominee De Cock uit Ulrum. Cocksiaenen, tudelitaenen zo werden ze genoemd, zijn kudde van nog geen 100 volgelingen. Ze moesten niks hebben van de nieuwe kerkorde die door koning Willem I was verordonneerd. Neen, zij hielden het bij de goede oude kerkorde van Dordrecht uit 1619.
Willem was geboren in 1904 in Kampen. Zijn vader was kaas en boterhandelaar; hij stierf toen Willem 7 jaar oud was; liet zijn vrouw achter met vier zonen en drie dochters. De kaas en de boter waren van de boterham verdwenen, armoe dreigde. Gelukkig waren er familieleden die konden en
wilden bijspringen. Goed voor de jongens die op één na het gymnasium konden doorlopen en later theologie gingen studeren aan de Kamper Hoogeschool. De dochters vonden in de kennissenkring van de jongens hun levenspartners zodat later bij familie aangelegenheden er vaak zes frisse dominees aanwezig waren, allen gereformeerd. Zes, want de oudste zoon was vlak voor zijn eerste gang naar een kerk herderschap, overleden aan de Spaanse griep.
Willem werd na zijn afstuderen, beroepen in Vries en hij nam dat beroep aan. Het was geen vetpot waaruit hij daar tapte maar toch wist hij wat geld opzij te leggen om een grote wens te vervullen, namelijk een reis naar het Heilige Land.
Cornelia Adriana Redert was de tweede en jongste dochter van Adam Redert, architect, en Sijtje van
Driel. Adam en Sijtje kwamen oorspronkelijk uit Dordrecht en omgeving maar toen Adam een baan aangeboden kreeg in Amsterdam als technisch beheerder van de Amsterdamse hervormde kerkgebouwen, verhuisden ze naar Amsterdam. Cornelia Adriana, Aats werd ze genoemd, ging medicijnen studeren aan de universiteit van Amsterdam, Tillie, haar oudere zus volgde een opleiding tot apothekers assistente. Een broer van Adam was apotheker. Ze zal dus wel een beetje gestuurd zijn. De hele familie Redert, broers en zussen van Adam, moest niets hebben van de gereformeerden. Ze vonden hen maar oproerkraaiers en betweters. Ver na de oorlog nog, kregen wij er eens flink van langs van een nicht van mijn moeder die toendertijd op ons paste omdat mijn moeder ziek was. Ze gebruikte in de verbale aframmeling ons gereformeerd zijn en ons zeuren als een stevige en gekoppelde beschuldiging! We waren overigens toen ook flink vervelend! En ik beken: ik voorop.
Al met al, geen gelukkige omgeving om met een gereformeerde dominee als huwelijkskandidaat aan te komen. Daar was natuurlijk toen ook geen sprake van: Willem en Aats woonden te ver uit elkaar, Willem in Vries en Aats in Haarlem; Aats had net haar artsexamen gehaald. Zij was dus, zoals we dat nu noemen, een basisarts, en had een betrekking in een Haarlems ziekenhuis. Maar Cupido had nog iets in petto.
II
Adam en Sijtje wilden wat voor hun dochters doen. Tilly was geslaagd voor de opleiding apothekersassistent en Aats had haar artsexamen behaald. Bovendien was een nicht van Adam ook toe aan een beloning. Dus werd in familieberaad beslist dat de meisjes gedrieën met een groepsreis mee zouden gaan naar het Heilige Land.
Het werd een rondreis, georganiseerd door de Nederlandsche Christelijke Reisvereniging (NCR), dat zat dus wel goed. De reis begon op 10 april 1934 op het eerste perron van het staatsspoorstation in ‘s-Gravenhage, voor de tweede klasse wachtkamer. Vandaar per trein naar Genua via een hotelovernachting in Bazel. In Genua stapten ze op de boot en voeren via Palestina, naar Egypte en verder via de Griekse eilanden naar Venetië. Vandaar weer per trein naar Nijmegen, waar ze op 5 mei 1934 aankwamen en waar de groep uiteenviel in individuen. Een hele tocht dus. Ook ene Willem van Enk had zich ingeschreven. Dat zal de bovengenoemde Cupido wel geregeld
hebben. Maar die moest er meer voor doen om te koppelen. De reis was georganiseerd door de NCR dus alleen familie kon tijdens de treinreis sexe-gemengd een coupé delen, voor de overigen gold een strenge sexe-apartheid. Tijdens de heenreis in Noord-Italië echter, zakten de heren uit de coupé van Willem door de treinbank. Dus Willem ook. Er moest snel wat geregeld worden en daarom werd de sexe-apartheid losgelaten en kwam Willem bij de drie Redert-meisjes in de coupé terecht. Zo hebben mijn vader en moeder elkaar leren kennen.
De deelnemers van de reis kregen een boekje waarin het reisplan stond en menig leeg blad waarop de reizigers hun commentaar konden pennen. Het boekje van Willem had mijn broer Adam van mijn moeder gekregen. Na zijn overlijden kreeg ik van Jo, zijn weduwe, dit boekje samen met andere familie papieren. In het boekje vond ik bijna geen tekenen van een romance. Eén klein zinnetje slechts, opgetekend in Egypte: Aats ziek.
III
Terug in Amsterdam en Vries werd er vaart gezet achter het koppelen van het koppel Willem/Aats. Aats realiseerde zich dat ze haar beroep niet kon uitoefenen als echtgenote van een gereformeerde dominee en dat ze actief lid moest worden van de gereformeerde kerkgemeenschap, komend uit een nogal anti-gereformeerde omgeving. Maar alles werd snel glad gestreken en al op dinsdag 13 november 1934 trouwden ze in Amsterdam in de Raphaëlpleinkerk. De oudere broer van Willem,
Dirk, leidde de kerkdienst.
Ook de Bijbelse opdracht Gaat heen en vermenigvuldigt u, werd voortvarend opgevolgd. Op 5 november 1935 kwam een dochter ter wereld. Volgens de gewoonte in de familie zou ze de naam van haar grootmoeder van moeders kant krijgen, Sijtje dus. Maar dat wist de oude Sijtje te voorkomen. Ze was in haar jeugd behoorlijk gepest met die naam; het werd dus Maria Mathilda, kortweg Martil, een verwijzing naar de oudere zus van Aats. Martil overleed eind december 2023.
In 1938 was Aats weer zwanger. Op 19 september 1938 werd een jongen geboren die vernoemd werd naar Adam Redert en dus Adam werd genoemd. Adam overleed 6 januari 2001.
Maar het hield niet op: op 24 juni 1941 werd ik geboren. Ik werd vernoemd naar mijn vader Willem Jacob.
Nog eens twee jaar later, op 7 juli 1943, kwam Anna-Adriana ter wereld met dus een naam die een link legde naar de naam van onze moeder Cornelia Adriana. Adri werd ze genoemd, Adri overleed op 21 april 1958.
Midden 1944 was mijn moeder opnieuw zwanger maar voordat het tot een bevalling kon komen, gebeurde er iets vreselijks.
IV
De Nederlandse nazi’s kwamen in ons leven. Tijdens een razzia op 16 december 1944 werd onze vader opgepakt en eerst in Vries en later in Assen door hen bruut verhoord, door Nederlanders, Nederlandse nazi’s. Die Nederlandse volgelingen van Adolf Hitler hadden niet direct last van een hoog IQ. Om de door hen gewenste informatie te verkrijgen, gebruikten ze voornamelijk geweld. Onze vader werd later naar Groningen getransporteerd, las ik in verslagen. Transporteren was hier een ander woord voor lopen onder bewaking. Op 16 januari 1945 is een groep gedetineerden, waaronder hij, op transport gesteld, nu wel met een trein, een goederen trein, van Groningen naar Hamburg, het concentratie kamp Neuengamme. Daar is hij, zoals de meesten van die groep omgekomen of vermoord. Mijn vader op 12 februari 1945.
Over dit onderwerp is al veel geschreven, onder andere door Goff Miedema, een neef van mijn echtgenote, Maria. Dat hoef ik hier dus niet te herhalen. Misschien een stukje uit een brief van 19 maart 1945, die mijn moeder aan haar ouders en zus schreef; na een korte inleiding:
Ja, Wim is gestorven. ‘t Is vreselijk, kreeg Dinsdag 27 Mrt, om half één, we wilden juist aan tafel gaan, bericht, de ouderlingen kwamen het me zeggen. Er was een boodschap op het gemeentehuis gekomen. Ik was niet helemaal onvoorbereid. Had erg veel zorgen over hem gehad maar juist de laatste maand had ik alles zoo goed aan God over kunnen geven. Inderdaad God heeft voor mijn lieve, lieve Wim gezorgd, beter dan ik ‘t kon doen maar ook heel anders dan ik gehoopt en verlangd had.
Dat schreef ze, nadat ze bericht had gekregen van mijn vaders overlijden, meer dan anderhalve maand daarvoor. Even verderop vond ik de volgende zin:
Ik ben nu nog te veel uit mijn evenwicht, ik zit nog te veel vast op die ééne gedachte, wat wreed! Zonder eenig afscheid, zonder dat hij geweten heeft dat ‘t kleintje gebooren is.
Inderdaad, op 24 januari 1945 is ‘t kleintje geboren; Dirk Christiaan is hij gedoopt, Dirk naar de vader van mijn vader en Christiaan als toevoeging waarvan de betekenis mij nooit is verteld; misschien heb ik er nooit naar gevraagd, maar ik kan mij er wel veel bij voorstellen. We noemden hen Dik en later Dick.
V
Zo bleef het gezin achter: een weduwe en vijf half wezen, alle vijf nog geen tien jaar oud. Gelukkig had mijn moeder medicijnen gestudeerd en ze probeerde met die studie in haar ¨rugzak” werk te vinden. En dat lukte. Om dat te begrijpen, moeten we even terug naar 1942.
In 1942 begonnen de nazi’s met de bouw van het Nederlandse stuk van de Atlantikwall, een verdedigingslinie die een invasie van de geallieerden vanuit zee zou moeten tegenhouden. Daarom kreeg de zusterinstelling van Dennenoord uit Bloemendaal (bij Den Haag) bevel om hun terrein te ontruimen. De ontruiming gebeurde in 1943. De patiënten en het personeel werden verdeeld over de zusterinstellingen in Zuidlaren en in Wolfheze. Dennenoord kreeg er 458 patiënten bij. Voor hen werden er paviljoens op Dennenoord ontruimd en de bevolking van andere paviljoens behoorlijk ingedikt. Besloten werd om de Zuidlarense groep en de Bloemendaalse groep organisatorisch gescheiden te houden. Zo ook de geestelijke verzorging. Dus was er een nieuwe gereformeerde dominee nodig die de Bloemendalers onder zijn hoede kreeg. Dat werd mijn vader die overigens ook dominee in Vries bleef. Voor hem betekende dit bijna dagelijks met de fiets op en neer van Vries naar Zuidlaren. (Dominees hadden in die tijd nog geen auto!). Het betekende ook dat mijn moeder een ingang had op Dennenoord in 1945. De directie van Dennenoord, onder leiding van de geneesheer-directeur dokter Wetter, beval haar aan bij het bestuur van de stichting, die gevestigd was in Den Haag. Daarom moest mijn moeder kort na de oorlog, toen het openbaar vervoer in Nederland nog in puin lag, naar Den Haag op sollicitatie bezoek. Ze heeft me wel eens verteld dat ze iemand gevonden had met een motorfiets die met haar achterop naar Den Haag (en terug) is gereden. Ze werd, gelukkig, aangenomen/aangesteld.
De aanstelling zorgde ervoor dat wij gingen verhuizen, van de pastorie op het gereformeerde brinkie in Vries naar Zuidlaren E10. Google Maps heeft me pas geleerd dat het huis nog steeds nummer 10 is en aan de weg, genaamd E ligt. Alle wegen op Dennenoord heten E. Tachtig jaar geleden zijn we er komen wonen en nu pas krijg ik door wat die E van E10 betekent. Een beetje stom van mij. Onze eerste kennismaking met het huis kan ik me nog (gedeeltelijk) herinneren. Het huis was groot, leeg, hol, vol echo’ s waar Adri, Adam en ik flink gebruik van maakten terwijl wij door de lege kamers, gangen, zolder enzovoort renden onder luid gejoel. Martil was bijna 10 jaar oud, dus te groot voor dat geren en Dick was nog 0 dus te klein ervoor.
VI
Het huis werd snel gevuld met de meubels uit Vries en voor ons kinderen begon een heel fijne tijd op Dennenoord. Vlak achter ons huis had je de ¨zandberg¨, met een oude beuk boven op die ¨berg¨, een schitterende plek om te spelen, te graven, kastelen te bouwen enzovoort. Dan overal op Dennenoord stonden bomen waar je in kon klimmen en die bomen stonden in bossen waar je hutten in kon bouwen.
En, er waren families met kinderen van onze leeftijd: Martil was bevriend met Els Speelman, de oudste dochter van dokter en mevrouw Speelman. Adam had op de stichting geen leeftijdgenoten maar op de Tienelsweg (nu: Schipborgerweg) woonde de familie Plantinga: met de oudste zoon van broeder Plantinga trok hij intens op. Mijn grote vriend in de lagere school periode was Dik Bruggeman en later Tijmen Bouwers. Dik was de tweede zoon van het hoofd van de schilders afdeling van Dennenoord. Zij woonden in het witte huis naast de fiets in/uitgang van het stichtingsterrein naar de Schapendrift. Tijmen was de zoon van het hoofd van de boerderij waar de familie Bouwers ook woonde. Vader Bouwers had een heel interessant jachtgeweer. Ongetwijfeld met een jachtvergunning. In opdracht van dokter Wetter, de geneesheer-directeur, schoot hij daar mee op kraaien!
Adri vond een vriendinnetje bij onze buren, dominee Kerssies en gezin met dochter Janneke als haar leeftijdgenoot.
Dick had geen leeftijdgenoten op Dennenoord maar de lagere school leverde genoeg speelkameraden op.
Iedere doordeweekse morgen, zaterdag incluis, vertrok onze moeder op de fiets, model opoe-fiets, naar haar werk langs de paviljoens of in het hoofdgebouw. Ze liet ons dan achter onder het bewind van een huishoudster die met behulp van Jo van Putten, een meisje uit Westlaren, de huishouding
bestierde en ons kinderen in toom probeerde te houden.
Zondags trokken wij op naar de gereformeerde kerk, die naast onze school stond.
De lagere school doorliepen we alle vijf op de school met de bijbel, voor lager en uitgebreid lager onderwijs, zeg maar de gereformeerde school. En of het nu een ULO of een MULO (de M van meer) was, weet ik niet meer. Aan de niet-kerkse kant van de school stond het huis van het hoofd der school. In onze tijd was dat meester Scheringa (geloof ik mij te herinneren).
VII
Het zag er allemaal gewoon en vredig uit in Westlaren en bij ons totdat 1957 kwam. Martil, Adam en ik zaten op de middelbare school in Groningen, Dick zat nog op de lagere school en Adri op de (M)ULO. Mijn moeder achtte Adri nog te jong om iedere dag naar Groningen heen en weer te fietsen of te bussen. Vandaar dat een tussenjaar op de (M)ULO werd ingelast. Of Adri toen al last van haar been had en of dit misschien meegespeeld heeft bij dat besluit weet ik ook niet.
Maar in de herfst van 1957 kreeg mijn zusje last van een knie, in de knieholte ontstond een pijnlijke plek die later uitgroeide tot een knobbeltje.
Adri werd opgenomen in een ziekenhuis in Groningen, vermoedelijk het academisch ziekenhuis, waar men kanker diagnosticeerde, osteosarcoom een zeer agressieve tumor van bot. Heden ten dage is de diagnose kanker niet meer direct een ter dood veroordeling maar in die tijd zeker wel. De angst voor kanker zat er toen stevig in wat bijvoorbeeld leidde tot het niet uitspreken van het woord, men zei: ¨Zij heeft de K¨. Eigenlijk betekende dat ¨Zij zal binnenkort sterven¨. Die dreigende dood dwong de artsen dan ook tot stevige maatregelen: Adri’s been werd geamputeerd.
Hoe ga je als gezin om met het feit dat je dochter/zusje kanker heeft en nog maar één been en dat ze misschien op korte termijn zal sterven.
Ik heb mijn moeder nooit zien huilen of op een andere manier verdriet zien tonen. Ze was tegenover ons, tenminste tegenover mij, altijd rationeel gemengd met geloofsstrijd. Zij heeft me verteld dat ze in die tijd gestreden heeft met het geloof, het geloof zoals haar echtgenoot haar had bijgebracht, het bijna kinderlijke geloof. Ook heeft ze me verteld dat ze een hekel kreeg aan bomen omdat de groei van de cellen in bomen sterk leek op de groei van kankercellen. Dat laatste bleef buiten mijn rationeel begrip, het feit dat ze er een hekel aan kreeg, accepteerde ik. In de geloofskwestie voelde ik met haar mee: ik deed toen ook veel aan bidden en bood aan god aan om mijn been te ruilen voor dat van Adri. Maar daar voelde god blijkbaar niks voor.
Ik weet niet wat de gevoelens van Martil, Adam en Dick in die tijd waren. We spraken er niet over. Maar ook zij zullen op hun eigen manier een knoert van een brok in hun keel hebben moeten verwerken.
In de winter ‘57/58 gingen we regelmatig op bezoek in het ziekenhuis. Het was een strenge winter, de wegen waren vaak verstopt door sneeuwduinen en bussen reden er niet. Martil had toen verkering met Gerard Vroom, een klasgenoot met wie ze later getrouwd is. Zijn vader had een boomkwekerij in Glimmen en een ¨four wheel drive¨. Gerard en de auto hebben ons vaak door de sneeuwduinen naar het ziekenhuis heen en terug gereden.
Begin 1958 kwam Adri thuis. Ze was uitbehandeld in het ziekenhuis. Bij ons nam dokter Speelman, hij was internist, de medische zorg over. Het was (is misschien) toen in de medische wereld de gewoonte de medische zorg voor een eigen kind als arts over te laten aan een collega. Natuurlijk werkten mijn moeder en dokter Speelman nauw samen.
Na een korte periode werd er ook een knobbeltje in Adri’s hals ontdekt. Ik kan me nog goed herinneren tussen alles wat mijn moeder ons vertelde na het ontdekken van dat knobbeltje, de zin zat:
Toen bij Adri een knobbeltje in haar been werd ontdekt, moest haar been eraf, nu heeft ze een
knobbeltje in haar hals!
Adri stierf op 21 april 1958.
IIX
Onze Moeder besloot dat het stoffelijk overschot van Adri begraven moest worden op het kerkhof van Dennenoord naast de echtgenote van dokter Speelman, die op 27 februari van dat jaar was overleden. Een grote platte steen die altijd voor ons huis had gelegen werd tot grafmonument van Adri gemaakt door met koperen letters haar personalia op die steen te zetten. De bedekking van het graf bestaan uit kleine steentjes zo groot als stevige appels waartussen mos kan groeien. Verder gaat de natuur haar gang. Een week na haar overlijden hebben we haar naar dat graf gebracht. Een lange stoet van mensen die met ons meeleefden, begeleidde ons. Ongetwijfeld zal er in de Stichtingskerk een rouwdienst zijn gehouden maar mijn herinnering daaraan put uit een leeg verleden. Er werd intensief gehuild, gerouwd rond het graf. Ik heb niet gehuild, Martil niet, Adam niet, Dick niet en mijn moeder ook niet. Waarom niet? Bij de herbegrafenis van mijn vader was ik wel een -bijnahysterische huiler maar nu keek ik, keken wij, naar de bewegingen rond het graf, ik was leeg en voelde niets maar zag slechts. Nu ik dit opschrijf, krijg ik tranen in mijn ogen, waarom toen niet? De laatste decennia komen we jaarlijks één of twee keer langs bij Adri’s graf, mijn vrouw Maria en ik. We staan dan even stil en kijken; en om ons een houding te geven maken we wat schoon: we zetten de natuur dan op haar plaats. Nutteloos natuurlijk maar je kunt moeilijk een liedje gaan zingen, een Bijbeltekst gaan citeren of een diep filosofisch relaas gaan houden. Ik sta daar dan tegenover de dood van mijn zusje en Maria houdt mij staande.
Wim van Enk,
November 2025

