Klaaske Boomsma – Kootstra – door Gea van Loon
Het graf van mijn oma
Ik heb mijn grootmoeder niet gekend.
Ze overleed twaalf jaar voor mijn geboorte in Dennenoord in Zuidlaren. Ze werd in 1941 begraven in aanwezigheid van een klein gezelschap op de begraafplaats van de instelling.
Voor zover ik weet waren daar mijn moeder Geeske Boomsma, tante Sieuwke Boomsma en opa Rense Boomsma bij.
Het graf, waarvan ik niet wist dat het bestond, vond ik zo’n dertig jaar geleden bij toeval.
Sindsdien ga ik er af en toe even kijken.
Het verbaasde me dat er een grafmonument was. Opa en oma leefden al een paar jaar apart van elkaar op het moment dat ze werd opgenomen.
Blijkbaar zijn ze nooit wettelijk gescheiden. En in die moeilijke oorlogstijd, helemaal voor mensen die het al niet gemakkelijk hadden, besloot opa toch een grafsteen voor zijn overleden vrouw te
kopen. Dat die grafsteen er was, ontroerde me zeer. Het vertelde me vooral iets over mijn opa. Hij overleed toen ik acht jaar oud was, maar ik heb hem niet anders dan ziek gekend.
Parkinson en beroertes maakten communiceren moeilijk.
Opa en en oma waren afkomstig uit de Gronings-Friese grensstreek. Het veengebied rond Doezum en Opende.
Veel van de veenarbeiders leefden in plaggenhutten. Over mijn oma werd verteld: ‘Ze (het gezin) woonden in een stenen huis’, dat was blijkbaar
zo bijzonder dat zelfs ik er nog van hoorde. Opa Rense had allereerst verkering met de zus van Klaaske. Dat raakte uit en tussen hem en Klaaske ontstond een nieuwe verkering.
Opmerkelijk: De ouders van Klaaske waarschuwden Rense: Weet wat je doet.
Blijkbaar was de ziekte, waardoor ze uiteindelijk in Dennenoord terecht zou komen, al zichtbaar.
We stormen nu even door de tijd. Opa trouwde met Klaaske en het jonge gezin probeerde de armoede te ontvluchten en vertrok naar Essen in Duitsland, het industriegebied.
Daar werden de twee oudste kinderen geboren. Na verloop van tijd kwamen ze, met WOI op uitbreken, terug en vestigden zich in de stad Groningen, waar mijn ondernemende opa zich op de handel stortte. Eerst als een soort kiepkerel en later als marktkoopman.
Mijn moeder was de op een na jongste, het broertje dat na haar werd geboren overleed aan vermoedelijk wiegedood.
Zoon Renze ging naar zee en verdronk in de Theems in Londen na een val tussen wal en schip.
Mijn moeder schreef de ziekte van haar moeder Klaaske toe aan deze dramatische gebeurtenissen.
Over die ziekte: wat zich precies heeft afgespeeld weet ik niet. Mijn moeder vertelde dat haar moeder op een gegeven moment ergens anders ging wonen.
Mijn moeder, de enige die nog thuis woonde, bleef als veertienjarige achter bij haar vader die verder voor haar zorgde.
De reden van het vertrek van oma heb ik nooit kunnen achterhalen.
Ik vermoed dat haar ziekte daar al een grote rol in speelde. Alhoewel opa afstand van zijn vrouw had genomen, scheidde hij niet van haar en verzorgde haar stilletjes door mijn moeder etenswaren mee te geven als ze Klaaske bezocht.
Op een dag verscheen een buurvrouw van oma aan de deur van opa. ,’Het gaat niet goed met je vrouw, je moet er wat aan doen.’
Wat er niet goed ging heb ik nooit precies gehoord. Mijn moeder was hier niet zo open over. Wel weet ik dat mijn oma midden in de nacht buiten de ramen stond te wassen.
Hierna is ze vrij snel opgenomen.
Als ik om een diagnose vroeg kreeg ik als antwoord ‘zwakke zenuwen’.
De oorlog brak uit.
Dat maakte reizen, zelfs de korte afstand Groningen-Zuidlaren, niet eenvoudiger. Toch bezocht mijn opa, mijn moeder en tante haar regelmatig.
Volgens mijn moeder was mijn oma bedlegerig. Waarom? Ook daar ben ik nooit achter gekomen. Mijn moeder vertelde: ‘Ze lag in bed en staarde naar buiten. Kijk!
Rense loopt daar’.
Ze meende haar overleden zoon in de tuin van Dennenoord te zien lopen. De omstandigheden verslechterden snel en ik vermoed dat mijn oma aan
tbc leed.
Op 15 mei 1941 overleed ze op 54-jarige leeftijd.
Als ik op de begraafplaats van Dennenoord bij het graf sta, zie ik in gedachten dat treurige kleine groepje mensen de dodenakker oplopen.
Wat een trieste periode.
Hier stopt het verhaal niet.
Mijn nieuwsgierigheid naar de ziekte van mijn grootmoeder is niet alleen omdat ik graag wil begrijpen wat er gebeurd is, maar ook om een andere reden.
Wat was er destijds aan de hand met die familie? Hoe kom ik daarop, zul je je afvragen.
Mijn oma Klaaske werd op 6 juli 1886 geboren. Negen jaar later, op 4 juli 1985 even verderop zag in Doezum haar volle neef IJe Wijkstra het levenslicht.
Bij deze naam gaan ongetwijfeld bellen rinkelen. Inderdaad, de man die in 1929 vier veldwachters doodschoot.
Over het leven van IJe en hoe hij tot zijn daad is veel geschreven en zelfs een film gemaakt.
Maar het zware bestaan op de heide en in het veen verklaart niet de koelbloedige moord op de veldwachters.
Althans niet volledig. De aanleiding weten we natuurlijk wel.
Op verzoek van een reclasseringsambtenaar schreef IJe zijn levensverhaal en dat maakt een hoop duidelijk over zijn geestesgesteldheid.
Het verhaal vind je hier:
??Levensgeschiedenis van IJje Wijkstra in een brief van hemzelf
In 1941, hetzelfde jaar waarin zijn nicht Klaaske in Dennenoord overleed, stierf IJe in de gevangenis in Eindhoven waar hij heen was gebracht vanuit de gevangenis in
Leeuwarden. In Eindhoven was een afdeling voor wat we nu verwarde gevangenen zouden noemen.
Ik heb deze twee verhalen nooit helemaal los van elkaar kunnen zien.
Gea van Loon