Martje Grashuis-Bolhuis – door Hans Werkman

Martje Grashuis-Bolhuis in Dennenoord (1912-1920)

Op een keer vertelde mijn moeder, Martje Werkman-Grashuis (1905-1985), mij iets over haar grootmoeder naar wie ze genoemd is, Martje Grashuis-Bolhuis (1836-1920).
Mijn moeders opoe werd de laatste acht jaar van haar leven, van 1912 tot 1920, verpleegd op Dennenoord.
Toen mijn moeder een jaar of veertien was, ging ze een keer op bezoek bij ‘opoe ien Zuudloaren’.
Ze herinnerde zich dat ze achter de hekken van het gesticht mensen hoorde schreeuwen.
Ze huiverde.
Ik werd nieuwsgierig naar deze overgrootmoeder van mij en verzamelde verhalen en feiten over haar.

Johannes en zijn moeder
Martje Bolhuis werd geboren op 9 april 1836 en groeide op in het Groningse dorp Leermens.
Het gezin met vijf kinderen was Nederlands-hervormd. Haar vader was schoenmaker en boerenarbeider.
Psychiatrisch was er iets aan de hand in dit gezin.
Dat betrof drie personen:
Martjes oudste broer Johannes, Martjes moeder en Martje zelf.
Haar broer Johannes Bolhuis (1834-1874) was boerenknecht. Toen hij 24 jaar was, werd hij met een Rechterlijke Machtiging (RM) van de Officier van Justitie te Appingedam gedwongen
opgenomen in het ‘Krankzinnigengesticht’ in Zutphen (in Noord-Nederland was geen plaats voor hem te vinden).
Een RM hield in dat hij voor zichzelf en/of voor zijn omgeving gevaarlijk was. Achtergronden ken ik niet.
De moeder van Johannes en Martje heette Anje Toppen (1805-1879). Deze betovergrootmoeder van mij overleed door suïcide, ze verdronk zich.
Ook hierover heb ik verder niets kunnen vinden.
De twee huwelijken van Martje:
Martje Bolhuis zelf trouwde in 1863 met de boerenknecht Egbert Gort (1833-1864), van wie ze toen al een paar maanden zwanger was.
Egbert kon de eerste maanden van zijn kind Anje Gort (1863-1939) nog meemaken. Tien weken later overleed hij.
Weer elf weken later hield de jonge weduwe haar dochtertje ten doop in het kerkje van Oosterwijtwerd, waar ze woonde.
Vier jaar later, in 1868, hertrouwde Martje met mijn overgrootvader van moeders kant, de weduwnaar Hendrik Tonnis Grashuis (1834-1900), die uit zijn eerste huwelijk al een zoontje
Willem (1862-1930) had.
Hij was gereformeerd, zij bleef hervormd.
Ze trok in bij Hendrik in Overschild. Samen begonnen ze dus met twee kleine kinderen: de zesjarige Willem van hem en de vierjarige Anje van haar.
Uit die tijd dateert haar eerste portret. In Overschild kregen ze nog vier kinderen.
De jongste van hen is mijn grootvader Hendrik Grashuis (1880-1922).
Over haar eerste kind Anje Gort heeft Martje Grashuis-Bolhuis veel kopzorgen gehad.
Anje werd tussen 1886 en 1893, toen ze dienstmeid was, drie keer ongehuwd zwanger.
Op de geboorteakte staat steeds de aantekening ‘vader onbekend’.
Verstoten werd ze niet.
Familie van haar stiefvader Grashuis, nam haar in huis en daar kon ze bevallen.
Martjes jongste zoon, mijn grootvader Hendrik Grashuis, zou in 1912 bij het intakegesprek op Dennenoord zeggen dat Martje depressief was geworden vanwege ‘de moeilijkheden met een harer kinderen’.

Omstreeks 1920 – Paviljoen Middenpark (P6)

Naar Dennenoord
Voor de tweede keer werd Martje Bolhuis weduwe toen haar man Hendrik Tonnis Grashuis in 1900 overleed.
Ze woonden toen in Zeerijp en zij moest na zijn dood de kost verdienen als ‘werkvrouw’, ‘dagloonster’, zeker tot haar 68e jaar.
Ze was een vrouw met verstand, zat graag te lezen.
Rond haar zeventigste begon ze psychisch af te takelen.
Ze zwierf vaak weg van huis, kreeg wanen, dacht dat men haar wilde vergiftigen.
Haar kinderen namen haar om de beurt in huis.
Maar dat viel niet mee, ze was lastig, driftig en plaagziek geworden.
Kennelijk had ze een laag zelfbeeld, ze was somber en klaagde dat ze er beter niet kon zijn.
Ze hoorde stemmen in haar hoofd zeggen dat ze verkocht moest worden maar nog geen tien gulden waard was.
De burgerlijke gemeente ’t Zandt moest meer voor haar betalen. Ze was armlastig.
De gemeente betaalde haar opname en behandeling in Dennenoord, ongeveer 580 gulden per jaar.
Toen haar zoon Hendrik, mijn grootvader, haar op 9 mei 1912 naar Zuidlaren bracht, vertelde hij de arts over haar familiegeschiedenis: dat haar moeder suïcide had gepleegd en dat haar oudste broer in een krankzinnigengesticht overleden was.
Waarschijnlijk pas in haar allerlaatste jaren op Dennenoord werd ze langzamerhand een dementerend rustig oud vrouwtje.

Graf 635
In 2014 zocht ik haar graf. De familie was te arm om haar na haar dood naar huis te vervoeren en haar te begraven in Zeerijp of in Leermens, waar ze de laatste tijd weer woonde.
Ze kreeg een gratis graf in het uitgestrekte grafveld van Dennenoord.
Bij de balie van het Hoofdgebouw kreeg ik een printje uit het begrafenisregister met de tekst ‘635 Bolhuis Martje v 17 mei 1920 20 mei 1920 V 8.’
Dat betekent dat Martje drie dagen na haar dood begraven is in graf 635, de V betekent dat ze in een eenvoudige vurenhouten kist lag en de 8 dat er, behalve de gestichtsdominee en de begrafenisbedienaar, acht mensen om haar graf heen stonden.
Ik neem aan dat daar in elk geval mijn grootouders bij geweest zijn.
Kon ik haar graf nog vinden?
Aan de balie zei men dat in dat oude grafveld veel paaltjes kapotgevroren en verwijderd waren, of in de grond gezakt. Inderdaad, paaltje 635 was
onvindbaar.
Dus bleef ik een paar minuten staan in de hei van het grafveld dat aangeduid werd met ‘600-700’, ik nam mijn pet af en herdacht mijn overgrootmoeder.
Zonder haar zou ik niet bestaan hebben.
Langs de gestichtskerk wandelde ik terug. Ik had gehoord dat ze graag naar de kerk ging. In mijn verbeelding hoorde ik haar daar een psalm zingen.

Gerimpelde handen
Van mijn moeder heb ik een foto geërfd van de heel oude Martje Bolhuis.

Omstreeks 1919 – Martje bij paviljoen Middenpark (P6)

Ze hebben de oude vrouw op een stoel gezet in het gras.
Links zijn een stuk van een gevel en een hoog raam te zien. Dat is het vrouwenpaviljoen Middenpark, waar ze woonde.
Op de achtergrond zijn vaag andere paviljoens te zien.
Ze draagt haar goede kleren. Geen sieraden, ook geen Gronings oorijzer.
Daar had ze het geld niet voor. Wel draagt ze een frisse witte siermuts met opstaande rand en onder haar kin een scheefgezakte strik. Ze zit recht, haar zeer gerimpelde
handen liggen in rust.
Het moet niet lang voor haar dood geweest zijn.
Ze is zeker over de tachtig.
De bomen zitten dun in het blad.
Is het in het voorjaar van 1919?

Hans Werkman

Lentis Erfgoed is onderdeel van Lentis.