1940 – Jaarverslag fragmenten

Fragmenten uit de zeven en vijftigste jaarverslag der Vereeniging tot Christelijke verzorging van Geestes- en Zenuwzieken 1940

Verslag der Jaarvergadering
van de Vereeniging tot Christelijke verzorging van Geestes- en Zenuwzieken, gehouden op Donderdag 24 October 1940 ten Centralen Kantore te ’s Gravenhage.

Stichtings-Bestuur:
B.A.G. Ubink, Voorzitter
J. Bos Kzn., Secretaris
Th. Kiers, Penningmeester
Ds. IJ.K. Vellenga
Geneesheer-Directeur:
J. Wetter
Geneesheeren Dennenoord:
B. van der Borgh
J.J. Speelman
C.G. Moolhuizen
J. Doff (Noorder Sanatorium)
Geestelijk-Verzorger:
Ds. E. v.d. Laan

Bestuur

Verkiezing van bestuursleden

Artikel 3
Verkiezing van bestuursleden

Aan de beurt van aftreden is J. Bos Kzn. wie herkiesbaar is. Aangezien uit het midden der vergadering geen namen van candidaten genoemd worden, en ook geen van der afdeeling namen zijn ontvangen, adviseert de Voorzitter tot herbenoeming der aftredend lid, waarmee door de Vergadering wordt ingestemd. Aan den Heer J. Bos Kzn. zal van zijn herbenoeming schriftelijk mededeeling worden gedaan.

Algemeen overzicht

ALGEMEEN OVERZICHT
Het Algemeen Bestuur vergaderde in 1940 tweemaal: n.l. 26 April op de Stichting ,,Vogelenzang” en 24 October ten Centrale Kantore.
Na ernstige ziekte in het laatste gedeelte van het jaar, overleed op 19 Februari 1941 de Heer J. Veldhuyzen van Zanten Gzn.. lid van het Algemeen Bestuur, zitting hebbend voor de Stichting ‘Vogelenzang’.
Van 1937 af diende de Heer Veldhuyzen van Zanten de Stichting en de Vereeniging met toewijding en getrouwheid.
Zijn op levenservaring berustende adviezen werden in den kring van het Bestuur steeds ten zeerste gewaardeerd; zijn persoon en arbeid zullen in aangename en dankbare herinnering blijven.

In de Algemene Vergadering, gehouden op 24 October ten Centrale Kantore, werden tot lid van het Algemeen Bestuur herkozen de Heeren Mr. Dr. J. Donner en W. Hoeksma (Bloemendaal); J. Bos Kzn. (Dennenoord); Jhr. J. Beelhaerts van Blokland (Wolfheze) en W. Warnaar (Vogelenzang).
Door den Heer Jhr. H.A. Wittewaall van Stoetwegen (Bloemendaal) was te kennen gegeven, dat hij om gezondheidsredenen niet meer voor een bestuursfunctie in aanmerking wenschte te komen.
Tot lid van der Commissie tot het nazien der rekening, volgens artikel 10 der Statuten, werd, ter vervanging van den Heer Mr. J. Terpstra, benoemd de Heer Dr. J.W. Noteboom te ‘s-Gravenhage.

Het Centraal Bestuur vergaderde iedere maand, behalve in Juli en December. Gewoonlijk kwam men samen ten Centrale Kantore te ‘s-Gravenhage, in de maanden Januari en November evenwel in de Valeriuskliniek te Amsterdam.
Op 4 Maart 1941 overleed de Heer D.O. Norel, Secretaris van het Centraal Bestuur.
Lange jaren heeft de Heer Norel onze Vereeniging gediend. Eerst als lid van het Stichtingsbestuur van ‘Vogelenzang’ en gedurende de laatste jaren als Secretaris van het Centraal Bestuur.

Met groote dankbaarheid gedenken wij den arbeid, door hem met zoveel toewijding in deze functies en daarnevens ook als lid van verschillende commissies, waarin hij zitting had, verricht.

De vergaderingen der Stichtingsbesturen en Kliniek-Commissie hadden geregeld plaats.
Tot lid van den Pensioenraad werd met ingang van 1 Januari herbenoemd de Heer W.A.J. de Winkel te De Steeg.

Stichting ‘Dennenoord’

De restauratie van paviljoen Groenehagen was op het eind van het jaar vrijwel voltooid.

De volgende tabellen geven een overzicht van het aantal patiënten en verpleegdagen per 31 December, gedurende 4 achtereenvolgende jaren.

 

Op 31 December bedroeg het aantal contribuanten ongeveer 9400, wier contributies door 554 correspondenten werden geïnd.
69 corporatiën (kerken en kerkelijke gemeenten) steunden dit jaar onze Vereeniging, hetzij door een vaste jaarlijkse bijdrage, hetzij door een gehouden collecte.
Het aantal afdeelingen bedroeg op 31 December nog slechts 12.

Corporatiën, vereenigingen, plaatselijke kerken of kerkelijke gemeenten en diaconieën kunnen zich aansluiten, indien zij instemmen met doel en grondslag der Vereeniging, jaarlijks een bijdrage geven, of, wat plaatselijke kerken of kerkelijke gemeenten betreft, zich verbinden elk jaar in de openbare godsdienstoefening een collecte te houden.

Medische dienst

Bestond de medische verzorging der patiënten een tiental jaren geleden in verpleging en toezicht, thans staat in de verschillende gestichten en klinieken de behandeling dusdanig op den voorgrond, dat het karakter van den medischen arbeid sindsdien geheel is veranderd. Naast de actieve therapie zijn het de moderne chemische preparaten, die ons in staat stellen bij vele patiënten een sociale remissie, soms ook een totale genezing, te verkrijgen.
Een betrekkelijk groot aantal patiënten kwam ook dit jaar weer in aanmerking voor de shock-therapie. Daarbij bleef de cardiazolbehandeling naast de insulinekuur gehandhaafd. Van een groot verschil in resultaten is daarbij niets gebleken. Wat de schizofrenie betreft, waren de resultaten bij een eerste ,,Schub” zeer gunstig. Bij patiënten, die reeds langeren tijd ziek waren, was de verandering minder gunstig, soms wogen ze nauwelijks op tegen de resultaten der arbeidstherapie. Over de vraag, of ook andere patiënten dan de lijders aan dementia praecox voor shock-therapie in aanmerking komen, loopen de meeningen uiteen. Voor zover deze shockbehandeling wel werd toegepast bij melancholieën en involutiepsychosen, bleken deze zeer snel en afdoende te reageeren op slechts weinig cardiazolinjecties.
De resultaten van de corvishock-kuren in een der gestichten zullen door twee doktoren worden bewerkt en binnenkort in een publicatie over de tot dusver ingestelde krampbehandeling worden neergelegd.
Behalve bij insuline- en cardiazolkuur werd een aanvang gemaakt met de elektroshock-therapie. De resultaten waren dusdanig bevredigend, dat tot een toepassing op ruimere schaal werd besloten.
Naast de somnifeen-, opium-, malaria-, photodyn- en antiluetische behandeling, werden in de verschillende klinieken en stichtingen belladonnakuren gegeven, in sommige gevallen met een zeer gunstig, in andere met een zeer matig resultaat.
De moderne behandeling met sulfanylamide vond meermalen toepassing en bewees o.a. bij erysipelas uitstekende diensten. Zelfs was het mogelijk bij twee ziektegevallen van de zoo gevreesde nekkramp door tijdige toediening van dit geneesmiddel volledige genezing tot stand te brengen. Bij pneumonieën, die vooral in het najaar al of niet in aansluiting aan fluenza frequenter voorkwamen dan gewoonlijk, vond dagenan succesvolle toepassing.
Nog meer dan voorheen is de medicus in kliniek en gesticht thans op zijn hoede, om longprocessen tijdig te herkennen en actief daartegen op te treden. Het is heel wel mogelijk, dat, evenals zulks aan het einde van den wereldoorlog het geval was, ook thans de tuberculose zal toenemen. De ingebruikneming van de röntgenapparaten in al de inrichtingen is een belangrijke stap vooruit bij de bestrijding van de tuberculose.
Het is trouwens niet denkbeeldig. dat ook het gevaar voor andere ziekten groter wordt. Zoo kwamen in een der inrichtingen talrijke gevallen van bacillaire dysenterie voor, terwijl in een der klinieken een geval van totale verlamming werd opgenomen, welke  tetralogie eveneens het gevolg bleek te zijn van een bacillaire dysenterie. Door het tijdig ontdekken van de oorzaak en de dienovereenkomstige behandeling gingen de verlammingen geheel terug. Ook dit geval wordt door een paar doktoren nader uitgewerkt en binnenkort in de literatuur neergelegd.

Niettegenstaande de mobilisatie en den daarop volgenden oorlogstoestand kon de actieve therapie volledig worden gehandhaafd. Weliswaar was het moeilijk, de arbeidstherapie in al haar onderdeelen in stand te houden en was het noodig andere vormen voor het ontwikkelen en reguleeren der psychomotoriek te vinden. Een ingenieuse en gedurfde vorm is op enkele gestichten gevonden in het houtzagen, waarbij zeer psychotische patiënten gemeenschappelijk aan een werktuig moeten arbeiden en zoodoende in een collectief bezig zijn worden opgenomen, terwijl daarnaast hun motoriek wordt gekanaliseerd. Naast deze orgineele arbeidstherapie werd uitbreiding gegeven aan de doelbewuste lichamelijke ontwikkeling. Vooral het turnen in een eigen gymnastiekvereeniging, het opgenomen worden in een eigen voetbal- en korfbalclub blijkt steeds meer voor vele patiënten het aangewezen remedie te zijn. Eveneens werden dam- en schaakclubs, alsook een zangkoortje en een fanfarecorps opgericht. Dat dit mogelijk is, wijst er steeds meer op, dat de bevolking der inrichtingen veel dichter staat bij het gezonde leven, dan vroeger werd verondersteld. Zoo werd op een der stichtingen in een onrustig paviljoen voor vrouwen een afdeling in gebruik genomen, die geheel en al is ingericht naar het model van een zaal in Gutersloh.

Gedurende de oorlogsdagen of onmiddellijk daarna werden in enkele klinieken vele patiënten opgenomen. De spanning en de emotie, de angst en het levensgevaar, waarin velen die dagen verkeerden, was in de meeste gevallen wel een belangrijke aanleiding voor het ontstaan van zenuw- en geestesstoornissen.
Deze ziekten duurden gemiddeld 10 dagen. Sommige ziekten waren na 24-48 uur reeds hersteld. De verschijnselen deden veel denken aan hysterie. De patiënten verkeerden in een schemertoestand, waren gedesoriënteerd, hadden opvattingsstoornissen en een meer of minder sterke retrograde-amnesie. Zij waren de eerste dagen schrikachtig en angstig, terwijl zij meermalen in pseudo-hallucinatoire belevingen het in den oorlog ervarend opnieuw doorleefden, zij het ook op den duur met minder affectieve ontladingen. Bij het psychisch-pathologische onderzoek gaven ze soms foutieve antwoorden, of zwegen en staarden droomerig voor zich uit. Dit ”voorbijpraten” en dit ,,partiëele mutisme” kennen we van hysterie. Hierop wezen ook de sensibiliteitsstoornissen (analgesie) en de psychomotore symptomen. Zoowel kinetische als hyperkinetische toestanden kwamen voor. Stuporeuse toestanden met flexebilitas cerea hebben we gezien, evenals hyperkinetische syndromen: beven of schudden van al de ledematen en het hoofd, of ook een sterke rede- en bewegingsdrang, overgaande in expansieve ontladingen, gelijkend op een acuut delier. Zelden was de gemoedstoestand euphoor. Over het geheel was de gevoelstoon negatief, terwijl bij het verminderen van de heftige symptomen en de toenemende oriëntatie soms een depressie werd waargenomen, die meer psychogeen dan vitaal was en waarop nader wordt teruggekomen.
Kleist was van meening, dat deze psychische veranderingen als echte oorlogpschychoses sui generisch moesten worden opgevat, dat wil zeggen als schrikpsychoses, die men buiten den oorlog zelden of nooit zag. De wenschmechanismes, die bij hysterie een centrale beteekennis hebben, worden bij deze syndromen blijkbaar niet waargenomen; het zou de schrik zijn, die den toestand provoceert. Lewandowsky daarentegen zag in de schrikwerking een hysterische reactie en wilde deze toestanden brengen onder de hysterische neurose.
Bonhoeffer nam een tusschenstandpunt in. Volgens hem lijden deze patiënten aan een schrikreactie, terwijl bij sommige tengevolge van wenschen, of althans van een blijvende emotioneelen toestand, zich uit die aanvankelijke schrikreacties hysterische beelden ontwikkelen. De wensch, aan den oorlogsschrik te ontkomen, werkt dan in de door den schrik veranderde psyche ,,autosuggestief”. Het is een verlangen, niet meer aan de psychisch-physische werking van het schrikwekkend gebeuren te worden blootgesteld. Dit kan zich openbaren in een emotioneel uitbeelden en vergrooten van den oorspronkelijk reflectoir ontstanen ,,Schutteltremor” casu quo verlammingstoestand.
Onder onze patiënten waren allereerst de door Kleis als ,,schrikpsychoses” beschreven reactieve toestanden. De lijders hieraan vormden het grootste aantal.  Dan was er een aantal patiënten, bij wie reeds spoedig het psychogene moment op den voorgrond trad en die te beschouwen zijn als existentieele neuroses en tenslotte waren er de echte hysterische toestanden.
Het beeld van den shellshock of de schrikpschychose kwam voor in 3 vormen: de emotiestupor van Balz, het hyperkinetische syndroom en de schemertoestand.
Bij de extreme vormen van stupor was elke willekeurige beweging verdwenen, de patiënt moest door zijn vrienden of buren uit het gevaar worden gerukt – in de kliniek gebracht, bleef hij starend staan of zitten, waar hij werd gebracht. Met wijde pupillen en verbijsterde gelaatsuitdrukking had hij iets van het beeld van het post-encephalitische Parkinsonisme. Deze stupor ging bijna altijd gepaard met een bewustzijnsomneveling, een soort droomtoestand met allerlei hallucinatoire belevingen of althans illusionaire uitlegging van de omgeving. De patiënten staarden angstig-verschrikt voor zich uit, terwijl zich in hun belevingen reproducties voordeden van den strijd, zooals vliegtuiggevechten en bombardementen. Soms ging deze stupor over in een hyperkinetisch syndroom, een zeer sterke onrust, met een groote overproductie van bewegingen, krampaanvallen, tremores en tic-achtige spierconcentraties, welke op te vatten zijn als een afweer van prikkels.
Bij deze beide vormen van shellshock – hoezeer zij oogenschijnlijk verschillen – vonden we angst, pseudohallucinatoire belevingen, bewustzijnsdaling en amnesie. Waren er geen stoornissen van het neuromusculaire apparaat, dan was er alleen een schemertoestand. Hierin traden de geheugenstoornissen op den voorgrond. Vooral de retrograde amnesie kon zware vormen aannemen en zich over een groot gedeelte van het leven uitstrekken. Een onzer patiënten herinnerde zich niets meer na zijn 7e levensjaar. Gevraagd naar zijn leeftijd, was zijn antwoord: ,,Men zegt, dat het 1940 is, ik ben in 1908 geboren, dan moet ik 32 jaar oud zijn.” Hij was getrouwd en had kinderen, maar wist niets over zijn gezin te vertellen. Hij kon schrijven en eenvoudige rekensommen oplossen, doch met getallen boven de 20 kon hij niet werken. Hij herinnerde zich onder andere, hoe hij als 6-jarige jongen bij zijn grootmoeder logeerde, maar van alles, wat daarna was geschied en wat hij in den oorlog had beleefd, wist hij de eerste dagen niets te zeggen.
Deze 3 vormen van schrikpsychoses waren klinisch te onderscheiden, maar behoorden aetiologisch bij elkaar en hadden hetzelfde beloop. Bovendien vonden we bij al deze 3 toestanden symptomen, welke wezen op een labiliteit van het vegetatieve zenuwstelsel. Velen klaagden over duizeligheid, sommigen hadden nystagmus, meermalen vonden we bradycardie en hypotensie, vaak ook een sterke zweetsecretie, dermographie en palpitaties. Allen waren ze na ongeveer 14 dagen genezen, of hadden alleen nog diffuse klachten over hoofdpijn en moeheid, sommigen bleven nog wat affectlabiel, maar konden toch spoedig worden ontslagen en bleven verder gezond. Wel bleek bij nader onderzoek, dat onder deze patiënten procentsgewijze velen waren, die vroeger verschijnselen hadden gehad, welke in verband staan met een neuropathische constitutie. Sommigen waren migrainelijders, een ander leed als jongen aan lypothymieën, bij weer een ander kon gemakkelijk een carpopedale spasmes worden opgewekt, pilocarpine veroorzaakte hevige verschijnselen.
Een onderzoek naar de genealogische samenstelling der naaste familie van deze patiënten bracht aan het licht, dat er, vergeleken met de doorsneebevolking, een verhoogde belasting was met epilepsie, oligophrenie en neuropathie.
Bij een poging, in het wezen van deze schrikpsychoses door te dringen, zijn deze gegevens van het hoogste belang. We kunnen den stupor en den bewegingsdrang, evenals de daling van den bewustzijngraad, opvatten als phylogenetisch gepraeformeerde reacties van het instinctleven bij personen met een zwak vegatief zenuwstelsel en een labiel endocrien apparaat. Kretschmer wijst in zijn studie over de hysterie op 2 gewichtige reacties van het instinctleven, namelijk den ,,Totstell”- of immobilisatie-reflex en den bewegingsstorm, complexe gedragingen, die bij elk levend wezen (vogels, kreeften, slangen) als uiting van het animale leven kunnen ontstaan bij schrik en angst, vooral wanneer deze schrik plaats grijpt in een constitutioneel verzwakt organisme, of in een toestand van uitputting en ondervoeding.
De daling van den bewustzijnsgraad begeleidt tot op zekere hoogte den ,,Tolstellreflex” en den bewegingsstorm, maar is daarnaast ook als zelfstandig ,,mechanisme van Freud” reeds meermalen beschreven bij toestanden, waarin de mensch werd bedreigd.
We moeten dan ook den stupor van Balz, het hyperkinetische syndroom en den schemertoestand met de daarbij ontstane veranderingen in het neurovegatieve apparaat opvatten als functioneel een en dezelfde reactie, een pathologisch-psysiologische alteratie met een twijfelachtige doelmatigheid.
Deze veranderingen zijn een rechtstreeksch antwoord op een schrikaanjagend gebeuren. De schrikpsychose sensu stricto is dus door Kleist terecht beschouwd als een op zich zelf staande ziekte, met symptomen, die wel-is-waar ook bij de hysterie voorkomen, maar als zodanig niet tot het wezen van de hysterie behooren.
Behalve dezen eigenlijken shell-shock, deze reactie van het organisme, waarbij de constitutie groote beteekenis heeft, toonden onder deze oorlogspatienten enkelen ziektebeelden, waarbij aan de psychogenese een belangrijke beteekenis moets worden toegekend. De patho-biologische verschijnselen traden bij deze patiënten op den achtergrond. De oorlogsgebeurtenissen hadden niet zoozeer, of althans niet in de eerste plaats, hun organisme tot reacties bewogen, waardoor thymogene processen werden opgeroepen, maar de beleving van deze gebeurtenissen was dermate schokkend, dat de levenscontinuïteit voor hen werd verbroken en een her-oriënteering noodig was om opnieuw een evenwichtig leven aan te vangen. Zonder twijfel is het primaire in deze beleving de bedreiging van de vitale, de sociale, dan wel van de geestelijke existentie. Vandaar, dat wij hier spreken van existentieele neurose. Deze bedreigingsbeleving wordt in deze gevallen beteekenis-beleving in dien zin, dat de persoonlijkheid zelf met al haar werkelijke en vermeende waarden in het gedrang komt. Erwin Strauss was de eerste die gewezen heeft op de representatieve functie van zulk een beleven, hetwelk door De Leeuw in zijn verhandeling over de existentieele neurose concreet is uitgewerkt.
Een patiënt, een beroepsmilitair, werd binnengebracht met al de verschijnselen van een oorlogspsychose in den zin van een shellshock. Na vier dagen was hij volkomen rustig en georiënteerd. Maar tot bezinning komend over hetgeen had plaats gehad en wat hij had beleefd, werd hij steeds depressiever en geraakte in een existentieel-neurotischen toestand. Wat hij in de oorlogsdagen had doorstaan, werkte nu pas door als een psychisch letsel. Het gebeuren kreeg voor hem betekenis boven de inhoud van het doorleefde, het werd symbolisch of representatief voor bepaalde waarden. Dit is kenmerkend voor elke existentieele neurose. In den beleving der oorlogsgebeurtenissen werden bepalde werkelijkheden ontsloten. De belevingswereld was bij vele psychisch gekwetste militairen door de beleving van de oorlogsgebeurtenissen veranderd: de spanning in de loopgraven, het vertrouwen op de kameraden, de onzekerheid of in den grootsten nood ons volk wel vrij was van verdeeldheid, het doodsgevaar en het besef veragankelijk, sterfelijk te zijn, brak door en manifesteerde zich in de universeele beteekenis van het: hoewel krachtig en gezond, toch ,,sterven”; hoewel vertrouwend, toch ,,verlaten”; hoewel gelukkig en vol perspectief, toch ,,voorbij”. Zoo was de oorlog voor hen geworden een werkelijk psychisch trauma, waardoor zij geestelijk gewond waren. Deze geestelijke kwetsbaarheid komt onder gewone omstandigheden zelden aan het licht. We vinden ze niet of slechts in geringe mate bij ernstige zieken of bij ouden van dagen, hoewel die toch ook het levenseinde en als zoodanig vragen als hier bedoeld, onder het oog moeten zien.
Voor het ontstaan van een existentieele neurose is namelijk noodig, dat de gewone levensduur plotseling wordt doorbroken en dat de hier bedoelde beleving als zoodanig voor het eerst wordt beleefd, zoodat in een plotseling verscheuren van de continuïteit de eigen voortgaande levensloop onverwacht in het gedrang komt. Eigenlijk is die ieder oogenblik in het gedrang, maar de mensch leeft daar overheen. Wij allen weten: de mensch is sterfelijk, maar deze uitspraak wordt zoolang het leven gewoon voortgaat, nooit in subjectieve ervaring een beleving van existentieelen inhoud. De ernstig zieke en de oude van dagen hebben in den regel in hun levenshorizon de breuk met het leven opgenomen, hebben het komende geanticipeerd. Daar vinden we dan ook weinig existentieele neurose. De existentieele neurose ontstaat, wanneer de beleving plotseling onverwacht is. Het onverwachte openbaart zich juist in het verscheuren van den zins-samenhang der innerlijke levensgeschiedenis. Als zoodanig was de oorlog niet alleen voor militairen, die leden aan een existentieele neurose, maar ook voor vele anderen in en buiten het leger een psychisch letsel. Het op het alleronverwachtst verscheuren van de individueele levensgeschiedenis geeft toch – zooals wij zagen – een alteratie van den geheelen persoon, raakt de individueele existentie, dat is de eigen levensgeschiedenis. Nu hangt onze eigen levenshistorie nauw samen met ons tijdsbesef. Vandaar dat de tijdsfactor, de ,,historische modaliteit”, gestoord is, wanneer die existentie in het gedrang is. En velen zullen zich nog herinneren, dat zij na 14 Mei moeite hadden met de tijdsoriëntatie, ook al kwam er verder weinig van een existentieele neurose naar voren. Dit gestoorde tijdsbesef bestond in sterke mate bij de existentieele neuroselijders onder onze militairen. Ze waren niet gedesoriënteerd, zooals de shellshocklijders, ze hadden geen retrograde amnesie; en toch hadden ze moeite zich te oriënteeren, kwam het hun bij voorbeeld vreemd voor, dat het ,,alles nog maar een week geleden was”. Hun oriëntatiestoornis lag echter een niveau hooger dan bij de eerste groep, betrof hun geestelijk leven, hun eigen bestaan. De historische continuïteit was in hun leven doorbroken. Zij waren ,,verbijsterd” en ,,geschokt”. Het lukte hun niet den zinssamenhang van het innerlijke leven te bewaren. Ze waren het spoor bijster. Ze waren anders geworden, niet meer dezelfde als 10 of 20 dagen te voren.
Was de shellshock dus een plotselinge pathologisch-pschygologische reactie van het organisme op een gebeuren (den dood der kameraden, den voltreffer), de existentieele neurose staat daar diametraal tegenover, is een alteratie in het geestelijk leven, een pathologisch-psychologisch proces.
De depressie van deze patiënten is een geestelijke depressie. De gedachtengang is geremd, maar niet onproductief. Ze houden zich bezig met vragen, die liggen boven het niveau van het dagelijksche leven, ze kunnen een enkele keer in kosmische belevingen dreigen psychotisch te worden, maar zijn in het algemeen voor psychotherapie toegankelijk. Wanneer dergelijke toestanden zich voortdoen, kan het bewustzijn volkomen intact blijven: niet het ,,traumhaft-verworrene” van den schemertoestand uit de schrikpsychose met allerlei pseudo-hallucinaties, maar een ,,bewustzijnkramp” door het aangegrepen worden in zijn bestaan, een toestand van preoccupatie tengevolge van het gerukt worden uit de sleur van zijn leven.
De duur en het beloop van deze existentieele neuroses of ,,shockneuroses” waren zeer verschillend. Na eenige weken was de clinische behandeling niet meer noodig, ook al waren er patiënten, die wij met zorg lieten gaan en voor wie een psychotherapeutische ,,nazorg” gewenst ware.
Men kan zich afvragen, waarom slechts enkelen deze neurose kregen, daar de velen, over wie dit onderzoek loopt, toch allen aan soortgelijke gebeurtenissen hadden blootgestaan. Deze vraag klemt te meer, daar na 12 Mei ook niet-militaire lijders aan existentieele neuroses – meer dan in gewone tijden – werden opgenomen. In het algemeen besproken, overtrof het oorlogsgebeuren blijkbaar in belevingswaarde alles, wat een mensch in den gewonen loop der dingen kan ervaren. En toch geraakte slechts een betrekkelijk klein aantal militairen in een existentieel-neurotischen toestand. Velen wisten zich aan die belevingen te onttrekken, gerepresenteerde waarden niet onder het oog te zien of door oppervlakkig geredeneer en door misplaatsten humor den zin van het ervarend te ontloopen.
In dit verband is het van belang op te merken, dat de patiënten met shockneuroses karakterologisch bij elkaar behoorden. Over het algemeen waren deze mensen eenvoudige, ernstige, wel-is-waar sensitieve, maar plichtsgetrouwe en voor den oorlog schijnbaar evenwichtige personen. Waarom sommigen een schokneurose kregen, en anderen, die door hetzelfde gebeuren zijn aangeraakt, geestelijk onkwetsbaar bleken te zijn, is niet in een algemeene formule uit te drukken. Ongetwijfeld hangt dit samen met den opbouw van de persoonlijkheid. Elk oordeel zij hier onder groot voorbehoud uitgesproken. Maar zooveel is wel gebleken, dat allen, wien het leven meer dan een spel is, iets van dezen toestand hebben gekend, ook al kwam het niet tot een echte neurose. De mate, waarin de persoonlijkheid reeds voor den oorlog was geintegreerd en de wijze, waarop hij zich levenswaarden tot eigendom had gemaakt, bepalen de mogelijkheid, zonder neurose na de ervaringen van den oorlog zichzelf terug te vinden.
Van de door ons bestudeerde patiënten waren er enkelen, die aanvankelijk ook tot een der bovengenoemde groepen behoorden, doch die langer hun verschijnselen bleven houden. Hun gedrag was minder echt. De psychomotorische verschijnselen droegen niet het karakter van een rechtstreeksche ontlading. In hun symptomen gelukte het hun niet uit te beelden, wat in hen werkte en in hun beleven waren ze niet in staat, datgene te ervaren, wat gemeend, wat gezien de situatie, mogelijk zou zijn. Bij anamnestisch onderzoek bleek, dat twee van deze patiënten vroeger voor hysterie waren verpleegd geweest. Bij nog twee anderen deed zich een ,,hysteriseering” van de aanvankelijk niet als zoodannig beschouwde symptomen voor. Theoretisch is het denkbaar, dat zoowel de schrikpsychose als de existentieele neurose door ,,hysteriseering” wordt voortgezet. Inderdaad was dit hier het geval.

Ook in den Nazorgdienst openbaarde zich de invloed van den oorlog in het karakter van ons werk in het algemeen. Velen toch hebben moeite met het verwerken van allerlei spanningen, die in dezen tijd zijn ontstaan en b.v. alleen het punt al van de moeilijkheden, die voor onze patiënten rijzen bij de uitzending naar Duitschland, zijn van zeer specifieken aard.
De werkzaamheden van ons Bureau te Amsterdam hebben zich in 1940 verder uitgebreid; het aantal ingeschrevenen bedroeg ultimo 1939 381, ultimo 1940 431.
De aard van de werkzaamheden onderging eenige wijziging in zooverre het Bureau is fungeren als opleidingsinstituut voor een leerlinge van de C.I.C.S.A., Mejuffrouw Kooy, die enkele maanden van zeer nabij ons nazorgwerk heeft kunnen volgen en daarbij ook ten deele zelfstandig is opgetreden. Meer nog door de opleiding van onze provinciale nazorgzusters: Zr. Zeldenrijk van 1 April tot 31 December 1940 en Zr. Schuiling van 15 November tot heden. Zr. Zeldenrijk is inmiddels in Overijssel benoemd.
Het in opleiding nemen van deze zusters heeft zijn moeilijkheden en bezwaren, echter ook zijn vergemakkelijking van ons werk. Het bekend worden met allerlei dwaalwegen en hindernissen in den sociaal-psychiatrischen doolhof kost natuurlijk eenerzijds tijd en moeite, overigens voor het grootste gedeelte gedragen door onze nazorgzuster, J.H. Schroeder, anderzijds krijgt ons Bureau, wanneer de zusters eenmaal ingewerkt zijn, de beschikking over een tweede kracht, waardoor b.v. het aantal bezoeken, dat de zusters dit jaar brachten, vergeleken bij het vorige jaar, een groote sprong vooruit kon maken. De groote belangstelling en toewijding van de beide zusters maakte overigens dit gedeelte van ons werk dit jaar zeer aangenaam.
Een ander nieuw aspect in de werkzaamheden van ons Bureau te Amsterdam ontstond door de toenadering, die verkregen werd tot de Protestantsch-Christelijke Reclasseeringsvereeniging. Alhoewel het aantal gevallen nog maar tot enkele beperkt bleef, belooft toch deze samenwerking voor de toekomst heel veel. Wij vermoeden, dat dit contact voor beide Protestantsch-Christelijke Instellingen van beteekenis kan zijn.
Als laatste uitbreiding van de bemoeiingen van dit Bureau moet genoemd worden de controle, die door onze zusters wordt uitgeoefend op de leerlingen van de school voor Christelijk Buitengewoon Onderwijs van den Heer A.J. Calliber (Heerengracht 40). Inderdaad is dit werk onder den buitendienst van de Valeriuskliniek onder te brengen. Tot een definitieve regeling is het wel-is-waar nog niet gekomen, maar de praktische resultaten van deze wekelijkse controle doen vermoeden, dat in de toekomst dit werk niet meer zal worden losgelaten.
Ook in den lande nam dit jaar de arbeid van den Nazorgdienst in omvang toe; het aantal ingeschrevenen steeg van 858 tot 1074. Voor de meeste onzer inrichtingen is thans een Nazorgarts aangesteld, die tezamen met een nazorgzuster de ontslagen patiënten blijft volgen en sociale moeilijkheden voor hen tracht te voorkomen of weg te nemen. Consultatiebureaux waren gevestigd te Groningen, Emmen, Zwolle, Kampen, Hardenberg, Almelo, Enschede, terwijl tevens medewerking werd verleend aan de provinciale bureaus te Arnhem, Harderwijk, Nijmegen, Tiel en Doetinchem, en het bureau der Stichting voor Geestelijke Volksgezondheid in Noord-Holland te Alkmaar.
De slechte treinverbindingen en de geringe hoeveelheden toegewezen benzine werkten belemmerend op den gang van zaken.
Als algemeenen regel in het werk hielden wij zoveel mogelijk vast aan het pricipe, dat onze werkzaamheden hoofdzakelijk van controleerenden en adviserende aard zijn, dat echter de behandeling, zoowel medicamenteus als psychotherapeutisch, zooveel mogelijk aan de behandelende instanties moet worden overgelaten. Practisch is dit echter niet overal vol te houden, want ieder contact met een patiënt wordt door hem als een behandeling opgevat. Ieder gesprek heeft een therapeutische beteekenis en wij meenen, dat het ook niet goed is, dit volkomen af te snijden. Zoo wordt voor ieder geval individueel een oplossing gezocht.

Naast de onderzoekingen, die in verschillende klinische laboratoria van de gestichten werden verricht, hadden verschillende werkzaamheden voor de gestichten plaats in de laboratoria van de Valeriuskliniek.
Gedurende 1940 werden in het histopathologisch laboratorium de hersenen van 49 obducties ter onderzoek ontvangen. Van deze obducties waren 29 vn patiënten der Kliniek, 5 van de Stichting ,,Bloemendaal” te Loosduinen, 1 van de Stichting ,,Wolfheze” te Wolfheze, 2 van de Stichting ,,Vogelenzange te Bennenbroek, 11 van het Binnen-Gasthuis, 1 van ”Dennenoord” te Zuidlaren, benevens 1 hypofyse ven genoemde Stichting.
Uit het Wilhelmina-Gasthuis werd eenmaal operatiemateriaal ter onderzoek ontvangen, uit de Kliniek zelve 7 maal.
Een uitvoerig onderzoek werd ingesteld naar de veranderingen, die gelijktijdig met hersenaandoeningen in het benige schedeldak kunnen optreden en werd nagegaan, in hoeverre de hersenaandoeningen als oorzaak van de schedeldakveranderingen konden worden aangemerkt of omgekeerd, in hoeverre hersenen- en schedeldakveranderingen beide het gevolg kunnen zijn van een gemeenschappelijke oorzaak, elders in het lichaam gezeteld. Van deze onderzoekingen werd door Dr. van Hasselt verslag uitgebracht op de Neurologenvergadering, 4 April 1940 in de Valeriuskliniek gehouden.
Het in 1939 aangevangen onderzoek omtrent de functie van de hersenschors en de dieper liggende deelen, werd voortgezet. Daartoe werden van 29 proefdieren (hoofdzakelijk ratten) de hersenen bewerkt en microscopisch bestudeerd. Het resultaat van deze onderzoekingen werd door Prof. Van der Horst medegedeeld in een voordracht over ,,Hersenen en intelligentie” op de in de Valeriuskliniek gehouden vergadering van de Amsterdamse Neurologenvereeniging.
De werkzaamheden in het Psysiologisch Laboratorium richtten zich op de beteekenis van de vitaminen en daarbij voornamelijk op de beteekenis van het vitamine K. Het ontdekte vitamine K kreeg eerst in de laatste paar jaren voor de kliniek beteekenis, toen men vond, dat dit vitamine het prothrombinegehalte van het bloed van den mensch beïnvloedt en daarmee de stolling. De bloedingen, dien men ziet optreden bij aandoeningen van de galwegen, konden reeds met succes worden bestreden. Voor ons is het vraagstuk van het prothrombinegehalte in tweeërlei opzicht van belang. In de eerste plaats moet overwogen worden, of bij sub-arachnoidale bloedingen het prothrombinegehalte van het bloed van den norm afwijkt. Vervolgens schijnt ons deze vraag van belang in verband met het optreden van trombose, zonder bekende oorzaak. In de Valeriuskliniek zagen we enkele gevallen, die een nadere studie waard zijn. Het prothrombinegehalte, zooals dit in den prothrombinetijd tot uitdrukking komt, wordt nu bepaald bij daarvoor in aanmerking komende patiënten. Daar de gebruikelijke methoden van de Quix en Ziffren niet aan de door ons vast te stellen eischen voldoen, werd een nieuwe methode uitgewerkt, waarbij gebruik gemaakt van de photo-electrische cel. De deugdelijkheid van deze methode wordt thans onderzocht.
Het onderzoek naar het Vitamine C-gehalte in de weefsels en vloeistoffen van het menschelijk organisme werd voortgezet. In een publicatie van Recueil des Travaux chimiques des Pays-Bas in 1940 werden de resultaten van het onderzoek bloed en liquor meegedeeld. Een publicatie over ‘Vitamine C en psychiatrische ziektebeelden’ is in manuscript klaar en zal zoo spoedig mogelijk in de Psychiatrische en Neurologische Bladen verschijnen.
Een andere reeks van onderzoekingen over het verband tusschen het chemische van het bloed en diëncephale stoornissen werd uitgevoerd. De gegevens van dit onderzoek dat wordt voortgezet, zullen waarschijnlijk in een dissertatie worden verwerkt.
Met een onderzoek over de asthenische stofwisseling werd dit jaar ook een aanvang gemaakt. Het kreatine- en kreatine-gehalte in bloed en urine van daartoe geschikte patiënten werd uitvoerig bepaald. Deze onderzoekingen zullen nog geruimen tijd vergen, alvorens ze zullen kunnen worden afgesloten.
In een vorig verslag werd melding gemaakt van onderzoekingen, die werden verricht in verband met de stofwisselingsprocessen in cerebro. Voor zoover de gelegenheid daartoe aanwezig was, werden opnieuw hersentumoren aan een onderzoek onderworpen. In samenhang met dit onderzoek werden uitgebreide bepalingen gedaan over het urinegehalte in bloed en liquor. Het is hieruit gebleken, dat de heerschende opvatting omtrent de toelaatbare hoeveelheid ureum in den liquor niet juist kan zijn. In de Amsterdamse Neurologen-vergadering is hieromtrent een en ander door Dr. Booij medegedeeld. Een uitvoeriger publicatie zal binnenkort volgen.
Vermelden we nog het pogen, om een goede methode te vinden, om het eiwitgehalte in den liquor quantitatief te bepalen. De methode van Samson, die daartoe het veelvuldigst wordt toegepast, blijkt nogal wat bezwaren op te leveren. Getracht wordt, de bezwaren en onnauwkeurigheden van deze werkwijze te ondervangen.
Tenslotte vermelden we een onderzoek aangaande de toxische werking van dysenterie-bacillen op het zenuwstelsel. Van verschillende stammen van dysenteriebacillen was een toxische beschadiging van het zenuwweefsel bekend; van het type Flexner echter kon deze invloed wel worden vermoed, hij was echter niet vastgesteld. In het bacteriologisch laboratorium werden bij een patiënt met myelitis, dysentrie-bacillen uit de ontlasting gekweekt en er werd een begin gemaakt met een experimenteel onderzoek naar de werking van het toxine van dezen dysenteriebacillen op het ruggemerg van proefdieren.
In het Psychologisch- en Psycho-pathologisch laboratorium werden onderzoekingen der laatste jaren voortgezet en naar verschillende richtingen uitgebreid.
De analyse der uitkomsten van concentratieproeven bij gezonde proefpersonen en bij patiënten met verschillende denkstoornissen werd in een lezing besproken. Ook werden de uitkomsten en de problemen der proef van Rorschach bij kinderen voorloopig in een lezing besproken, om later gepubliceerd te worden. De vraagstellingen dezer methode werden met studenten behandeld. De resultaten zijn reeds zoover gevorderd, dat deze onderzoekingsmethoden bij testonderzoekingen van patiënten en kinderen hier meer toegepast wordt dan vroeger en vooral gecombineerd met andere proeven over de productieve en reproductieve prestaties, als een wel voorzichtig te interpreteeren, maar psychologisch belangrijke test bevonden wordt.
Het bij dementie-onderzoek steeds weer opduikend probleem ‘latent weten’ of ‘door actueele denk-energie opnieuw verkregen inzicht’, werd nader geanalyseerd, vooral ook, omdat dit probleem bij het dagelijksch onderzoek van patiënten met denkstoornissen de volle aandacht verdient.
Naast het routine-testonderzoek werd in toenemende mate een psychisch onderzoek ingesteld, waarbij de interpretatie van de individueele manier van werken werd benut voor de oplossing van de psychologische vragen. Naar aanleiding van enkele gevallen uit de Valeriuskliniek werden opnieuw aphasische, agnostische en eidetische verschijnselen bestudeerd.
De arbeid aan een publicatie over ‘de Psychologie in Nederland’ leidde tot contact met andere psychologische laboratoria en gedachtenwisseling met andere psychologen.
In den loop van dit jaar werd een onderzoek ingesteld naar de beteekenis van de ontwikkeling van de motoriek bij zwakzinnige kinderen. De onderzoekingen, hierop betrekking hebbend, zullen eerst op een vergadering van de leerkrachten, verbonden aan het B.L.O. worden bekendgemaakt, om daarna te worden gepubliceerd.

Bijlage Medische dienst

Geestelijke verzorging

Een samenvattend verslag over het jaar 1940 van den arbeid der geeslijke verzorging in de Kliniek en op de verschillende Stichtigen, die van de Vereeniging uitgaan, moet wel aanvangen met de dankbare erkentenis van de bijzondere bewaring des Heeren, temidden van de rampen die ons vaderland troffen. Hoewel de oorlog als een vloed over ons land kwam en zware verwoestingen aanrichtte, hoewel zelfs een der Stichtingen, ,,Bloemendaal”, zich tegen aller verwachting in, aanstonds midden in het operatieterrein van den oorlog bevond, leden onze Inrichtingen niet alleen geen schade, maar werd ook het leven van allen, die zich daarin bevonden, gespaard en is aan niemand iets kwaads overkomen.

Van al het personeel, dat in die dagen in militairen dienst was, keerde een nog niet in ons midden terug en werd een door den dood weggerukt, de eerste-klas klerk W.Th. Coppy, werkzaam op ,,Dennenoord”, die als sergeant voor zijn vaderland sneuvelde bij de verdediging van Rotterdam, zijn geboorteplaats. Die hem kenden, vertrouwen dat de vrijmachtige God, die de Heere is van leven en dood, hem in Zijn rijke genade heeft opgenomen in zijn heerlijkheid. Door zijn compagnie is een gedenkplaat in het Hoofdgebouw geplaatst en in tegenwoordigheid van Bestuur en Personeel der Stichting plechtig onthuld. Zijn nagedachtenis zal in eere blijven.

Behalve op de Pinksterdagen, toen op enkele Stichtigen, wegens het oorlogsgevaar, geen godsdienstige samenkomst gehouden kon worden, mocht Zondag aan Zondag het Woord aan onze patiënten gebracht worden. Reeds meermalen is er op gewezen, welk een heerlijke arbeid hier in stilte wordt verricht. Als over de geheele wereld de gemeente veragdert en de hoogste Profeet en Leeraar door Zijn dienstknechten haar den rijkdom des Evangelies doet verkondigen, zijn ook onze kranken bij Hem niet vergeten,, en wil Hij ook daar met Zijn Geest en Genade in het midden zijn. En het is ontroerend te zien, hoe velen, waaronder ook lichamelijk gebrekkigen, met de grootse trouw deze samenkomsten op den Rustdag bezoeken en hun plaats nimmer ledig laten. Wij behoeven er niet aan te twijfelen of hier wordt meer zegen ontvangen dan soms openbaar wordt, al is het altijd bemoedigend wanneer bij de bezoeken aan de patiënten in de paviljoenen van dankbaarheid voor de prediking gewaagd, van geloof getuigd en om gebed gevraagd wordt.
Niet allen echter, die in onze Inrichtingen verpleegd worden, kunnen ons wekelijkse samenkomsten bijwonen. Maar door telefonische overbrenging van den kerkdienst naar de paviljoenen wordt er voor gezorgd, dat zij, die er begeerte naar hebben, doch door ziekte of ouderdomsgebreken verhinderd zijn, op hun bed of in de verblijfzaal het gesprokene kunnen volgen. Bij bezoek geeft dit dikwijls een aanknoopingspunt voor het gesprek. Toch blijven er nog over, die noch door de prediking, noch door de persoonlijke toespraak, geestelijk te bereiken zijn: degenen wier geest geheel is weggezonken, of die door waanvoorstellingen zoo beheerscht worden, dat zij zich tegen alle contact verzetten, of ook, aan de grootste onrust ten prooi, op geen enkel woord reageeren. Merkwaardig blijft echter altijd, dat zelfs met de meest onrustigen gebeden kan worden; in den regel kunnen zij zich zoolang wel stil houden en eerbiedig zijn.
Menigmaal had op de begraafplaatsen der Stichtingen een teraardebestelling plaats. Meestal zijn hierbij meerdere familieleden of vrienden van den overledene tegenwoordig, al komt het ook voor, dat niemand eenig blijk van deelneming toont, vooral wanneer het hoogbejaarden geldt, die al tientallen jaren uit de samenleving zijn afgezonderd. Hier vindt de Geestelijk-Verzorger gemeentelijk dus gelegenheid in den familiekring een woord van troost te spreken en te wijzen op Hem, die zijn schapen niet alleen onder gezonden, maar ook onder kranken heeft (waarvan soms treffende blijken door onze patiënten worden gegeven) en Die de Machtige is, om zelfs daar, waar geen menschenwoord meer ingang kon vinden, door Zijn Geest die verbondenheid aan Hem te bewerken, waardoor we in leven en sterven Zijn eigendom zijn.
Ook tot het personeel strekt zich de zorg van de Geestelijk-Verzorgers uit, niet alleen door het geven van cursussen in de Bijbelsche Geschiedenis en de Leer der Waarheid, door het bijwonen van vergaderingen, door zorg voor de lectuur enzoovoort, maar ook door persoonlijk gesprek, ziekenbezoek en gebed. Bij sterke wisseling onder het personeel is hieraan arbeid verbonden, ook al om meer dan oppervlakkig met hen kennis te maken.
Al mocht dus over het algemeen het werk van de geestelijke verzorging geregeld en ongestoord worden verricht, de maandelijksche bidstonden voor den arbeid der verpleging konden op enkele Stichtingen, waar het kerkgebouw niet behoorlijk te verduisteren is, in de wintermaanden van het tweede halfjaar niet gehouden worden. Om dezelfde reden konden daar ook geen ontspanningsavonden voor de patiënten georganiseerd worden. Trouwens, door de inkrimping van de verkeersmiddelen, kunnen ook allerlei zangvereenigingen, muziekgezelschappen enz. uit omliggende plaatsen niet meer zoo gemakkelijk als vroeger een uitvoering geven. Zooveel mogelijk wordt in deze leemte voorzien door de Stichtingsvereenigingen, terwijl, waar dit des avonds niet mogelijk is, van een middag gebruik gemaakt wordt.
Dankbaar mogen we terugzien op de zegeningen, die God ook dit jaar weer schonk. En bij den danktoon: ,,Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen” voegen we de bede: ,,Uw werk, o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren!”

 

Aantal patiënten

Aantal patiënten op 31 December in Dennenoord aanwezig en aantal verpleegdagen in 1940
Patiënten gesticht: 869
Patiënten Gezin: 37
Verpleegdagen gesticht: 317217
Verpleegdagen gezin: 12906

Aantal patiënten op 31 December in het Noorder Sanatorium aanwezig en aantal verpleegdagen in 1940
Patiënten opgenomen: 133
Aanwezige Patiënten op 31 december: 96 (waarvan 4 patiënten in gezin)
Verpleegdagen Sanatorium: 38855
Verpleegdagen gezin: 777

Financiën

FINANCIËN
In tegenstelling met de verwachting, uitgesproken in het vorige jaarverslag, hebben de kostende prijzen der verpleging ook in het afgeloopen jaar nog geen stijging ondergaann; zelfs viel, onder invloed van het toegenomen aantal patiënten, hier en daar eenige daling te constateeren.
Het onderhoud der gebouwen moest op enkele stichtingen, tengevolge van moeilijkheden op het gebied der materialenvoorziening, noodgedwongen beperkt worden. In verband hiermede is een Onderhouds- en Vernieuwingsfonds gevormd van f 25.000,-, waaruit de extra-uitgaven, die straks ter inhaling van den ingetreden achterstand moeten worden gedaan, kunnen worden bestreden.

 

 

 

 

 

 

 

 

Bijlagen ,,Dennenoord”

 

 

 

 

 

 

ALGEMENE GEZONDHEIDSTOESTAND

De gezondheidstoestand was bevredigend. De sterfte was evenwel hoog. De sterftecijfers van de laatste 3 jaren zijn als volgt: 1938 4.29 %, 1939 5.15 % en 1940 6.28 %. Deze geleidelijke toename blijkt een in alle inrichtingen voorkomend verschijnsel te zijn. Volgens het rapport van den Inspecteur zijn de gemiddelde cijfers voor alle Nederlandsche inrichtingen 5.4 %, 5.5 % en 6.3 %.
Gevallen van suïcide kwamen niet voor.
Van de 36 overleden mannen waren 18 ouder dan 70 jaar en zelfs 7 ouder dan 80 jaar.
Van de overleden vrouwen waren 21 ouder dan 70 jaar en 4 ouder dan 80 jaar.
Van de overledenen waren 2 mannen en 5 vrouwen lijdende aan t.b.c.-afwijkingen.

 

Op 1 januari 1940 waren in de gezinsverpleging aanwezig 20 mannen en 18 vrouwen. In de gezinsverpleging werden geplaatst 15 mannen en 6 vrouwen, terwijl uit de gezinsverpleging naar de Stichting terugkeerden 12 mannen en 6 vrouwen.

ARBEIDSTHERAPIE

Niettegenstaande de mobilisatie en de daarop volgende oorlogstoestand kon de arbeidstherapie volledig worden gehandhaafd.
Uitbreiding werd gegeven aan de ontspanningstherapie. Naast de gymnastiekvereniging, de voetbal- en de korfbalclubs, de dam- en de schaakclub, werd ook een fanfarecorps opgericht. Reeds werd een uitvoering gegeven, afwisselend muziek en gymnastiek.
Nevenstaande lijst biedt een overzicht van den door patiënten verrichten arbeid, resp. in de week van 3 t/m 9 Februari en die van 3 t/m 9 Augustus.

ONTSPANNING

Over dit onderwerp valt dit jaar niet zoveel mede te deelen als in andere jaren. Tijdsomstandigheden waren de oorzaak, dat de ontspanninsavonden tot eenige muziek- en zanguitvoeringen door vereenigingen van buiten, alsmede een filmvoorstelling met declamatie beperkt bleven. Onze eigen zangvereeniging ,,De Harpe Davids” gaf, naast haar jaarlijksche kerstuitvoering, in Augustus ook een uitvoering.
De beoefening van sport vond geregeld voortgang; behalve voet- en korfballen werden ook geregeld gymnastiekoefeningen gehouden.
De dam- en schaakavonden konden nog worden gehouden, hoewel ongeregeld in verband met de verduisteringsmaatregelen.
Opgericht is een muziek vereeniging van patiënten; deze oefent met instrumenten van ons vroeger personeelmuziekcorps ,,Advendo”.

VEREENIGINGSLEVEN

De meeste leden van het verplegend personeel zijn aangesloten bij de bestaande Jongelings- en Meisjesvereenigingen in het dorp.
De muziekvereniging ,,Advendo” moest wegens gebrek aan belangstelling worden ontbonden.
De zangvereeniging ,,De Harpe Davids” hield geregeld haar oefeningen.
,,Tryfosa” werkte meest in stilte en verzorgde als gewoonlijk de traktaties van patiënten.

 

 

Bijlagen ,,Noorder Sanatorium”

1940 Jaarverslag -009

1940 Jaarverslag -010

1940 Jaarverslag -011

1940 Jaarverslag -012

1940 Jaarverslag -013

Opening en Mededeeling

In afwijking van de gevolgde gewoonte der laatste jaren, om de Jarvergadering op een onzer Stichtingen te houden, werd besloten de vergadering dit jaar ten Centralen Kantore te ‘s-Gravenhage te doen plaats hebben, en wel na afloop der vergadering van het Algemeen Bestuur.

Artikel 1
Opening
Om ongeveer half vier opent de Voorzitter, Mr. G. van Baren. de vergadering, spreekt geen openingswoord, doch acht het om des tijds wil gewenst direct over te gaan tot het behandelen van de volgende punten der agenda.

Artikel 2
Mededeelingen
a. Verslag van het Algemeen Bestuur aan de Algemeene Vergadering – Art. 6 van de Statuten – over den arbeid der Vereeniging
b. Verslag van de Penningmeester

Bij monde van den Voorzitter wordt in aansluiting aan het Jaarverslag 1939 het volgende medegedeeld: Onze Stichtingen hebben door de oorlogshandelingen gelukkig geen schade opgelopen, terwijl van het onder de wapenen geroepen personeel alleen de klerk 1e klasse W.Th. Coppy van ,,Dennenoord” te Rotterdam voor het vaderland is gesneuveld.

Nazorgdienst

Lentis Erfgoed is onderdeel van Lentis.